aaien aal aalbes aalmoes aan (<-> uit) (aangestoken, bv.stoof) aan (<-> uit,af) (aangeschakeld, bv.TV) aan (bij,..., bv. Ik ben ~ zee.) aan (bv. ~ geld komen) aan (bv. ~ tafel zitten) aan (~ iemand iets geven,...) aanbidden aanbidder (bewonderaar) aanbieden (aanreiken; bv. hulp/een kans ~) aanbieden (geven; bv. koffie ~) aanbod (als in: vraag en ~) aanbranden aandacht (liefdevolle ~) aandacht (~ voor bv. gevaar) aandachtig (attent) aandachtig (waakzaam, oplettend) aandeel (bijdrage) aandeel (~ in een bedrijf) aandeelhouder aandenken aandoen (dragen) aandoen (iemand iets ~) aandringen aaneengroeien (bv. van een wonde, beenbreuk,...) aaneenknopen aangaan (aanbelangen, betreffen) aangeboren aangenaam (bv. een ~e atmosfeer) aangeven (aanmelden, bv. iets ~ bij politie) aangrijpen aangroei (bv. ~ van de bevolking) aangroeien aanhanger (bv. ~ van een theorie, overtuiging) aanhouden (arresteren) aankijken (een blik werpen op) aanklacht aanklagen aankomen (aanraken) aankomen (arriveren) aankomst aankondigen (bv. een huwelijk ~) aankondiging aanleiding aanloop aannemen (aanvaarden) aannemen (veronderstellen) aannemer aanpassen (afregelen) aanpassen, zich ~ (aan) aanraken aanreiken (bv. het zout ~) aanrichten aanschaffen aanslag aansluiten aansluiting (bv. telefoon~) aansteken (bv. een vuur ~) aansteker (voor vuur) aanstellen, zich ~ aantal aantonen (bewijzen) aantreffen (vinden) aantrekkelijk (bekoorlijk) aantrekken (aanlokken, bekoren) aantrekken (dragen) aantrekken, zich niets ~ van aanvaarden aanval aanvallen aanvang aanvangen aanvankelijk aanvoerder aanvoeren (leiden) aanvullen aanwezig (<-> afwezig) aanwijzing aanzetten (bv. een toestel ~) aanzien (bv. Hij is een man van ~.) aanzienlijk aap aard aardappel aardbei aardbeving aarde (het materiaal ~, grond) aarde (planeet) aardig aardolie aardrijkskunde aardrijkskundige aas (om vis te vangen) aas (van kaartspel) abdij abnormaal abonnee abonnement abortus abrikoos absoluut (<-> relatief) absoluut (in het geheel, helemaal) abstract (<-> concreet) abuis acacia (pseudo-) accent (bv. een vreemd ~ hebben) accent (bv. het ~ leggen op iets) accepteren accident accordeon accountant acht, 8 acht, Geef ~! achter achteraan (van achter) achterblijven achterdeur achterdochtig achtereen achterhoofd achternaam achteruit (<-> vooruit) achteruitgaan achterwaarts achterwerk achting achttien, 18 acteren acteur actie actief (<-> passief) activiteit actrice actueel adelaar adem adem, stinkende ~ ademen ademhaling adept ader adjectief administratie adres advertentie advies adviseren advokaat af (<-> aan) af (afgewerkt, klaar) af (<-> op; bv. ~ de tafel springen) af en toe afbeelding afbeulen, zich ~ afbranden (bv. Hun huis is afgebrand.) afbreken (ergens een stuk ~) afbreken (kapotmaken) afdaling (<-> beklimming) afdanken afdeling afdruk (spoor, bv. vinger~) afgekeurd, ~ worden (technisch) afgelegen (ver van alles, verstopt) afgelegen (ver verwijderd) afgelopen (voorbije) afgevaardigde afgrond afgunst afhakken afhangen (~ van iets/iemand) afhankelijk afkappen afkeer (weerzin) afkeuren (<-> goedkeuren) afkoelen (kouder maken) afkoelen (kouder worden) afkomst afkorting afleiden (deduceren; logisch ~) aflevering afloop (~ van een verhaal,...) aflopen (eindigen) afmeting (grootte) afnemen (in beslag nemen; rechtvaardig ~) afnemen (stelen) afpakken (gewelddadig ~, beroven) afprijzing Afrika afschaffen afscheid, ~ nemen afscheid afschrikken afschrikwekkend afschuw afschuwelijk afsluiten (uitschakelen) afsluiting (bv. hek, haag, afspanning,...) afspelen, zich ~ afspraak (overeenkomst) afspraak (~ voor een ontmoeting) afspreken afstaan afstand (aantal meter tussen 2 punten) afstand (minimum ~; bv. Je moet op een ~ blijven.) afstandsbediening afstotelijk aftakelen aftrekken (bv. 10-3=7) afval (resten, overschot) afval (vuilnis) afvegen (bv. stof ~) afvoerputje afvragen, zich ~ afwas, de ~ doen afwasmachine afwasmiddel afwassen afwerken (voltooien) afwezig afwezigheid (verlof) afwijking (onregelmatigheid) afwijking (van plan) afwijking (van rechte weg) afzagen afzender afzetten (bv. een hoed ~) afzien (lijden) afzonderen afzonderen, zich ~ afzonderlijk agaat agenda agent (politie~) agentschap agressief ajuin ajvar (paprikasmos) akker akkoord, ~ gaan (met iemand/iets) akkoord (muzikaal ~) akkoord (overeenkomst) akte al (reeds) al de (bv. ~ mosterd) Albanees (officieel) Albanees (smalend, ~ van Kosovo of Macedonië) Albanië alcohol algemeen alhoewel alle (bv. ~ mensen) alleen alleen (~ maar, uitsluitend) alleenstaande (vrijgezel) alleenzijn allemaal (bv. Dat moet ~ weg.) allen (bv. ~ komen.) allergie Allerheiligen allerlei Allerzielen alles (bv. ~ is klaar) allez! allusie almachtig als (indien) als (voorwaardelijke wijs) als (zoals) alsof (bv. Het lijkt ~ hij dood is.) alstublieft (verzoek) alstublieft (aanbod) altaar althans altijd altijdgroen (geen bladeren verliezend in winter) aluminium (Al) aluminiumfolie alweer amandel (orgaan) amandel (vrucht) amateur ambacht ambassade ambassadeur ambitie ambitieus ambtenaar (staatsbediende) ambulance Amerika amfibie amplitude amusant amusement amuseren analoog (<-> digitaal) analoog (gelijkaardig) analyse ananas ander (verschillend) ander andermans anders (verschillend; bv. Die jongen is een beetje ~.) anders (bv. Ik moet eten, ~ ga ik dood.) anders (op een andere manier) andersom anderzijds (van de andere kant) angst angstig (bevreesd voor iets) angstig (~ van aard) anjer anker annuleren anorak Antarctica antenne antimoon (Sb) antiquair antropoloog antwoord antwoordapparaat antwoorden (~ op) anus apart apenoot apostel apotheek apotheker (iemand met diploma farmacie) apotheker (~ die werkt in apotheek) apparaat appartement appel appelsien appetijt applaudisseren applaus appreciëren april aquarium arbeid arbeider archeoloog architect architectuur arend argwaan arm (<->rijk) arm armband armoede (<-> rijkdom) arresteren arseen (arsenicum, As) artiest (kunstenaar) artikel (geschreven ~) arts as (resten van verbranding) as (spil) asbak asfalt aspirine astrologie astroloog astronomie astronoom atelier atheïst atleet atmosfeer (dampkring) atmosfeer (stemming) atoom attent aubergine augurk augustus auteur auteursrecht auto autobus automaat automatisch automechanieker automobilist autoriteit autosnelweg autostoppen autostrade aversie avond, 's ~s avond avondeten avondmaal avontuur Azië azijn baai baan (rijweg) baan (werk) baan (~ van een planeet/projectiel/...) baard baarmoeder baars baas baas (in huis) baat babbelen baby bad (~kuip) baden badkamer badkostuum badpak bagage bak bakken (in een pan met beetje vetstof) bakken (in oven, bv. brood ~) bakken (in veel vet/olie, bv. frieten ~) bakker bakkerij baklava (soort gebak) baksteen bakvorm bal (feest) bal (rond voorwerp) balans (evenwicht) balans (weeginstrument) balk (meetkundige vorm) balk (steun~) balkon ballerina ballon balpen bamboe banaal banaan band (muziekgroep) band (van auto) band (~ tussen mensen) bandiet bang (bevreesd voor iets) bang (~ van aard) bang, - zijn voor/van bang, ~ zijn bank (financiële instelling) bank (sofa) bank (zit~) bankbiljet banket banketbakker bankier bankroet bar barbaars barbier bareel baren (een kind ~) barman barmhartig barst barsten (bv. van een tomaat, muur,...) basalt basilicum basiliek basis (grondslag) basketbal basketspeler bataljon batterij bed bedanken bedeesd bedelaar bedelen bederven (oververwennen) bediende beïnvloeden bedoelen bedoeling (intentie; bv. met goede ~) bedoeling (opzet; bv. ~ van een tekst) bedrag bedragen bedreigen bedriegen (iemand ~, overspel plegen) bedriegen (met geld ~) bedrieger bedrijf (fabriek, firma, zaak,...) bedrijf (~ van een toneelstuk) bedrijven (bv. een misdaad ~) bedrijven, de liefde ~ bedroefd bedrog (illusie) bedrog (leugenachtige aktiviteit) bedrukt (depressief) bedwelmen beek beeld (skulptuur) beeldhouwer been (knook) been (lidmaat) beenhouwer beenhouwerij beer beer (mannelijk varken) beest beet beetje, een ~ (een weinig) befaamd begaafd begeerte begeleiden begeleiding (bv. piano~) begeren (verlangen naar) begin, in het ~ begin beginnen beginner beginsel (principe) begonia begooien (iets/iemand ~ met iets) begraafplaats begrafenis begraven begrenzen begrijpelijk begrijpen begrip (concept, notie) begrip (~ hebben voor iets/iemand) beha behaaglijk behalve behandelen (een voorwerp ~, bv.: voorzichtig ~!) behandelen (omgaan met; bv. krijgsgevangenen ~) behandelen (~ voor een ziekte,...) behandeling (medische ~, schoonheids~,...) behandeling (omgang; bv. ~ van krijgsgevangenen) behang (~papier) beheer beheerder beheersen (bv. kennis ~) beheren behoeden (iemand ~ voor iets) behoedzaam behoefte (~ hebben aan iets) behulp, met ~ van (m.b.v.) behulpzaam (nuttig) beige beitel bejaarde bek bekend bekendmaking bekennen (bv. schuld ~) beker (plastieken drink~) beker (sportprijs) bekeren bekijken (intens ~, aanstaren) bekijken (vluchtig rondkijken, bv. een stad ~) bekken beklimming (<-> afdaling) bekommeren, zich ~ om (iets/iemand) bekoorlijk bekoren bekoring bekwaam bel belang belangrijk belangstelling belasting belastingbetaler beledigen belediging beleefd beleefdheid beleggen beleven Belg België Belgische Belgrado bellen (aanbellen aan de deur) bellen (opbellen, telefoneren) belofte beloning (voor arbeid) beloven bemachtigen bemesten beminnen benaderen (iemand ~ voor iets) benadering, bij ~ benadrukken beneden beneden, naar ~ (naar een lagere positie) beneden, naar ~ (volledig) benijden (iemand ~ om iets) benoemen (bv. iemand tot voorzitter ~) benutten (gebruiken) benzine benzinestation bepaald beperken beperking bereiden bereik bereiken berg bergachtig bergkristal bericht bericht (nieuws~) berk beroemd beroep berouw, ~ hebben berouw berucht bes bes, rode ~ beschaafd beschaamd (bv. Ik heb in mijn broek gepist, ik ben ~.) beschadigen beschaven beschaving bescheiden beschermen bescherming (hoede) beschieten beschikbaar beschikken, ~ over (bv. Ik beschik over 1 miljoen.) beschrijven beschrijving beschuit beschuldigen beschuldiging (aanklacht) beseffen beslissen (een beslissing nemen) beslissen (~ over iets/iemand) beslissing beslist besluit besluiten (iets ~ uit iets) besmettelijk besmetten besnijden bespreken (iets ~) bespreking besproeien best best, zijn ~ doen bestaan bestaan, ~ uit bestand (computer~, file) bestanddeel besteden bestek (om te eten) bestellen (een bestelling plaatsen) bestelling bestelwagen bestemming bestendig besturen (beheren, bv. een bedrijf ~) besturen (bv. een land ~) besturen (van voertuig) bestuur bestuurder (van een voertuig) betaalkaart betalen betaling betekenen (willen zeggen) betekenis (significantie, belang) betekenis (uitleg, bedoeling) betekenisvol beter beton betonmolen betovering betreffen betrekkelijk betrekking (werk) betrouwbaar betrouwen (iemand/iets ~) betweter beuk beul beurs (geldzakje) beurs (handels~) beurs (subsidie) beurt, aan de ~ beurt, om de ~ beurt (bv. Het is jouw ~.) bevallen (behagen; bv. De wijn bevalt mij.) bevallen (~ van een kind) bevalling bevallingsverlof bevatten (inhouden) bevel bevelen bevelhebber beven (bv. De aarde beeft.) bever bevloeien bevoegd bevoegdheid bevolking bevooroordeeld bevredigen (iemands lust ~) bevrediging bevriezen ("verstijven" van de kou) bevriezen (ijs worden) bevrijden bevrijding bevruchten bewaken bewaker bewaren beweegreden bewegen (een beetje ~) bewegen (sporten, dansen,...) beweren bewering bewerken bewerking bewijs bewijzen bewijzen (iemand) een dienst ~ bewolkt bewonderen (sterk ~, bijna verafgoden) bewondering bewust bewustzijn bezem bezet (bv. Het WC is ~.) bezeten bezetting (overheersing) bezienswaardigheid bezig bezigen bezinksel bezit, in het ~ zijn van bezit bezitten bezitter bezitting bezoek bezoeken bezoeker bezorgd (ongerust) bezorgd, ~ zijn over bibliotheek bidden biechten bieden biefstuk bier bierglas (groot ~ met handvat) biet (rode ~) big (jong varken) bij (bv. Ik woon ~ mijn moeder.) bij (dicht ~; bv. Ik woon ~ de zee.) bij (met, naast, tegen) bij (insect) bijbel bijdrage bijgeloof bijkans bijkomend bijl bijlage (~ bij een brief/bericht/gerecht/...) bijna bijnaam bijten (agressief ~) bijten (bv. ~ met een zuur) bijten (met tanden op eten ~, kauwen) bijval bijvoegen bijvoorbeeld (bv.) bijziend bijzonder bikini bikkelhard bil binair binden (vast~, bv. veters ~) binnen (<-> buiten) binnen (bv. ~ 5 dagen) binnenbrengen (bv. een patiënt ~) binnenkomen binnenkort binnenstebuiten biologie bioloog bioskoop bisschop (katholieke ~) bisschop (orthodokse ~) bitter blaar blaas (orgaan) blad (papier) blad (van plant) bladerdeeg bladzijde blaffen blanke blauw blauw (diep~ van ~e plekken of zee) blazen bleek blij (gelukkig) blijkbaar blijspel blijven (ergens ~, achter~) blijven, ~ + inf. blik (drank~) blik (materiaal) blik (~ van ogen) bliksem blind blinde bloed bloeden bloedsomloop bloei bloeien bloem (deel van plant) bloem (meel) bloemist bloemkool bloempot bloes bloesem blok (hout~) blok (kubusvormig ~; bv. ~ hout/steen) blond (bierkleur) blond (~ van haar) bloot blos (gezonde ~) blozen (rood worden) blussen bluts bobijn (in motor) bobijn (van garen/draad) bocht bode bodem (grond) bodem (~ van een pot, zee, zwembad,...) boeddhist boef boei (hand~) boeien (figuurlijk) boeien (in de boeien slaan) boeiend boek boeken (in boekhouding) boeken (reserveren; bv. een reis ~) boekentas boeket boekhouder boekhouding boer (dorpeling) boer (landbouwer) boerderij boerenkool boerin (dorpelinge) boete (geld~) boeten bok bokaal (voor confituur enz.) boksen bol bol, ~ kaas bom bond bondgenoot bont (kleurrijk) bont bontmuts boodschap (bericht) boodschap (inkoop) boog boogschutter Boogschutter (sterreteken) boom boomgaard boon (bruine ~) boon (princesse~) boor boos boosaardigheid boot (> schuit, < schip) boot (klein ~je) bord (om op te schrijven) bord (om uit te eten) bord (plakkaat,...) bord, verkeers~ boren borst (algemeen) borst (vrouwelijke ~) borstel borstel (haar~) borstel (verf~) bos (ongevaarlijk ~) bos (op heuvels of bergen) bos (woud) bos (~ bloemen) bosbes Bosnië bot (<->scherp) bot (~ van gedrag) bot bot (been) boter boterham botsing bottine (bergschoen) bouillon bouwen bouwkunst bouwwerk boven (bovenaan, naar ~) boven (~ iets; bv. ~ de foto hangt een kruis.) boven (bovenop) boven, naar ~ gaan bovendien braaf (rechtschapen, deugdzaam) braden (in een pan met beetje vetstof) braden (op een rooster/aan een spit) braken brand brandblusapparaat (brandblusser) branden branden (bv. koffie ~) brandewijn brandkast brandnetel brandstof brandweer brandweerman brandwond breed (<-> smal) breedte breedte (geografische ~) breekbaar breien brein breken (bv. een been ~) breken (kapotgaan) breken (kapotmaken, in stukken slaan) breken (kapotmaken, in stukken trekken) brengen breuk (barst) breuk (geologische ~, afgrond) breuk (getalverhouding, bv. 2/3) brief briefkaart briefomslag brievenbus bril (om te kijken) bril (WC-~) broek broer brok brommer bron brons brood broodje (belegd ~) broos (bros; <-> taai) brouwerij brug bruid bruidegom bruidsschat bruikbaar bruikbaarheid bruiloft bruin brullen brutaal bruto buffet buigen (ver~) buigzaam buik buikloop buil buis buiten (in de open lucht) buiten (zonder, behalve,..., bv. ~ de wet) buiten, naar ~ (eruit) buiten buitenechtelijk buitengewoon (excellent) buitengewoon (niet zoals gewoonlijk; bv. een ~e situatie) buitenland buitenlander buitenlands buizen (niet slagen op bv. examen) bukken, zich ~ Bulgarije bulldozer bumper bunker burcht bureau bureel burek burgemeester burger burgerlijk bushalte buskruit busstation buurman buurt buurtcentrum buurvrouw buxus (Buxus sempervirens) byte (8 bits) cadeau café (simpel ~) café (taverne) caffeïne cake camera (film~) camionette camping canyon (brede kloof) capaciteit capaciteit (C; elektrische ~ van een condensator) cappucino caravan carbonnade carnaval carosserie carrosier cassette cassetterecorder catalogus catastrofe categorie CD CD-speler ceder (Lat.: cedrus) ceintuur cel (~ in gevangenis) cel (~ van een levend wezen) cello cement cent centimeter centraal centrum champignon chantage chanteren chaos charmant charmeren chauffeur chef (baas) chef (~ kok) chemicus chemie cheque chips chirurg chloor (Cl) choco chocolade christelijk christen chronisch chroom (Cr) cijfer cilinder cinema cipier cirkel citaat citeren citroen civiel civilisatie claxon climax club code collectie collega coma combinatie commandant commentaar commisaris commissie, op ~ werken communiceren communie communisme compassie compatibel compileren compleet complex (ingewikkeld) complex (samengesteld, bv. een ~ getal) compliment componist compost computer concentratie concentratievermogen concentreren concept concert conclusie concreet (<-> abstract) condensator conditie (staat, toestand) conditie (voorwaarde) condoom confidentieel confituur conflict confronteren conglomeraat congres conifeer (orde van bomen: dennen, ceders,...) conifeer (~ zonder naalden) consequentie constateren constitutie construeren consument consumeren contact contacteren (even bellen, een berichtje sturen) contemplatief content contract contradictie controle controleren (nakijken) controleren (onder controle houden) correct correlatie correspondent corrigeren corrupt (immoreel, bedorven) corruptie cosinus courgette creatief creëren crematie crematorium crimineel crisis criterium cruise cultureel cultuur curieus cursus cyclus cynisch cyrillisch (~ schrift) daad (bv. een goede ~) daar daarbij daardoor daarenboven daarheen daarmee daarna daarnet daarom daarstraks daarvoor daarvoor (bv. Moord, ~ zit hij in de gevangenis.) dadel dadelijk dader dag dagdromen (over dingen fantaseren) dagelijks dageraad dak dakgoot dakpan dal dalen dam dammen dampkring dan (in dat geval; bv. Als het regent, ~ ga ik niet.) dan (op dat moment; bv. Ik kom ~) dan (vervolgens; bv. eerst dit, ~ dat) dan (groter ~, anders ~,...) dankbaar danku (dank je) dankzij dans dansen danser dapper darm (orgaan) darm (slang; bv. rubberen ~) das (dier) das (strop~, kledingsstuk) dat (betrekkelijk, bv. Het kind ~ daar zit,...) dat (bv. ~ kind komt.) dat (datgeen, hetgeen; bv. ~ wat hij zegt,...) dat, ~ hier / dees dat (bv. "Ik wil ~ hij komt.") databank datum dauw de december decimaal decoratie (versiering) decoratie (~ voor bv. heldendaad) deeg deeggebak (croissants,pistolets,broodjes,...) deel (onderdeel, stuk) deel (~ van een geheel) deelnemen deelnemer deelneming (~ aan een wedstrijd, zaak,...) defect definitief deftig degelijk degelijkheid degene (diegene; bv. ~ die dat gedaan heeft,...) dek deken deksel (laken, deken,...) deksel (van pot, emmer,...) delen democratie demonstratie demonstreren (tonen) den (Pinus, denneboom) Denemarken denken denneappel depressie depressief derde (3de) dergelijk dertien, 13 dertig, 30 design deskundige (vakman) desnoods dessert destijds destructief detail detective detergent deugd deugdzaam (braaf, rechtschapen) deugniet deuk deur deurbel deviezen deze (bv. ~ man komt.) deze (bv. ~ vrouw komt.) dezelfde dialect diamant diarree dicht (<-> ijl, bv. ~e mist, ~ bos) dicht (toe) dichtbij (bv. Ik kom ~.) dichter dichtheid (bv. massa~, bevolkings~,...) dichtkunst dictator dictatuur dictee dicteren die (bv. De man ~ daar zit,...) die (bv. De vrouw ~ daar zit,...) die (bv. ~ man komt.) die (bv. ~ vrouw komt.) die ginder (bv. Welke kies je? Die ginder! dieet dief diefstal dienblad dienen dienst (bv. ministerie,...) dienst (gunst) dienst, speciale ~ (bv. wachtdienst dokter) diep (figuurlijk) diep (letterlijk) diepte diepvriezer dier dier, schadelijk ~ dierbaar dierenarts (veearts) dierlijk diesel dij dijk dik (niet visceus, stroperig, bv. ~ke olie) dik (zwaarlijvig) dikte dikwijls dille diner (sjiek ~) ding (zaak) dinosaurus dinsdag diode diploma diplomaat direct (rechtstreeks) direct (ogenblikkelijk, dadelijk) directeur directrice discreet discussie discussiëren diskette dit (bv. ~ kind komt.) divisie (leger~) dobbelsteen dochter document dode dodelijk doden doek doel (in voetbal) doel (voor, pijl, kogel,..., figuurlijk) doelloos doelpunt doelwit doen doen (~ en afwerken) doenbaar (realiseerbaar) dof dokter (~ in de geneeskunde) dolfijn dolk dom domein (~ van expertise/interesse/...) Donau donder donderdag donker (<-> licht van kleur) donker (duister, <-> licht) donker (duisternis) dons donsdeken dood doodgaan doof dooien dooier (van een ei) doop door (doorheen) door (omwille van, - middel van) door (~ de schuld van, wegens) doorgaan (bv. Hij gaat door voor een goed advokaat.) doorgaan (verdergaan) doorgang (passage) doorgeven (iemand iets ~) doorn (van roos, cactus, enz.) doorschijnend doorsnede (bv. ~ van 2 verzamelingen) doorzetten (uitvoeren) doorzichtig doos dopen dorp dorpel dorst, ~ hebben dorst dorstig douane douche douchen draad draad (geïsoleerde elektriciteits~) /snoer draad (metaal~ bv. voor elektriciteit) draaglijk draaien draak dragen (een gewicht ~) dragen (kleren ~) dragon (Artemisia dracunculus) drank (koude ~) drank (warme ~, bv. koffie, thee) drastisch dreef dreigen dreiging drempel drie, 3 driehoek drijven (<-> zinken) drijven (ergens toe aansporen/aanzetten) dringend drinkbaar drinken droevig (bv. een ~e situatie) drogen dromen dronkaard dronken droog (<-> nat) droogkast droogte droom druif druiventros druk drukken (bv. een boek ~) drukken (bv. op een knop ~) drukkerij drukte drukwerk druppel druppelen dubbel (bv. ~e portie) dubbel (tweevoudig, bv. als in ~spion) dubbelpunt (:) dubbelzinnig duidelijk duif duikboot duiken (in het water ~) duiken (onder water ~) duiker duim duimspijker duin duister duisternis Duits Duitsland duivel duizelig duizend, 1000 dulden dun (bv. een ~ne vrouw, ~ne muur) dun (slap, niet straf, bv.thee) dun (visceus) dun (~ gezaaid, bv. ~ haar) duren durf durven (zich aan iets wagen) dus dutje, een ~ doen dutten duur (<-> goedkoop) duur (lengte in tijd) duurzaam duwen dwaas dwang dwerg (kabouter) dwingen dynamiet e.h.b.o. eb (laag tij, <-> vloed) echt (<-> vals; bv. Hij is een ~e man.) echt (bv. Hij zal ~ komen!) echt echtelijk echter echtgenoot echtgenote echtscheiding economie economisch economist edel edelmoedig edelsteen eed eekhoorn eelt een één, 1 één, niet ~ een of ander (bv. ~e mens) eend eendracht eendrachtig eenentwintig, 21 eenheid (meet~) eenheid (unie) eenmalig eens (één keer) eens (een keer; bv. Ik zal dan wel ~ doen.) eens, het ~ zijn (met iets/iemand) eenvoudig eenzaam eenzaamheid eer eerbied eerder (vroeger, voorafgaand) eerder (prioritair, liever) eerder (vroeger) eergisteren eerlijk eerst eervol (eerzaam) eerzucht eerzuchtig eetbaar eetlust eeuw eeuwig eeuwigheid efficiënt egel egoïstisch ei eigen (bv. Dat is ~ apen.) eigen (bv. mijn ~ huis) eigenaar eigenaardig eigendom eigendom (grond~) eigenlijk eigenschap eigenzinnig (zijn eigen zin volgend) eik eikel eiland einde eindelijk eindeloos einder eindigen eis eisen eiwit ejaculatie ekster elastiek elastiekje (rekker) elastisch elders elegant elektricien elektriciteit elektrisch elektron elektronica elektronisch element elementair elf, 11 elk (bv. ~e keer, ~ jaar, ~ mens) elk (ieder) (bv. voor ~ 3 stuks) elkaar (bv. We zien ~ elke dag.) elleboog ellende ellendig ellips els (Lat.: Alnus) email embleem embryo emigrant emigreren emmer emotioneel en (- tevens) en (~ anderzijds) encryptie (~ van gegevens) encyclopedie energie energiek enerzijds (van de ene kant) eng (nauw, zeer smal) engel Engeland enig (uniek) enige (enkele) enige, de ~ enigszins (in zekere mate) enigszins (op een of andere manier) enkel (bv. ~e richting) enkel (bv. een ~ woord) (enige) enkel, enkel enkele (enige, verschillende) enkele, één ~ (bv. Er bestaat slechts één ~.) enkelvoud enorm enquête (bv. een ~ uitvoeren) enten enthousiasme enthousiast enthousiasteling envelop enz. enzovoort episode equipe equivalent er (bv. ~ gebeurt iets.) er (hier, bv. Ik ben ~!) erfenis erfgenaam erg (bv. een ~e situatie) erg erg (iets) ~ (spijtig) vinden ergens ergeren (kwaad maken) ergeren (op de zenuwen werken) erin erkend erkennen (toegeven) ernaar ernstig erts eruit (bv. Ik kom ~.) eruitzien (~ als) eruptie ervan (daarvan; bv. Ik heb ~ genoten.) ervan (daarvan; bv. Ik heb ~ geproefd.) ervaren ervaren (ondergaan) ervaren (ondervinden) ervaring erven erwt esdoorn (Acer pseudoplatanus) essay Estland etalage eten eten (maaltijd) eten (voeding) etnie etter etui Europa evangelie even (<-> oneven, bv. 1,3,5,7,...) even (bv. ~ groot, ~ goed,...) even (korte tijd) evenaar evenals eveneens evenredig eventueel evenwel evenwicht evenwichtig evenwijdig examen excursie (georganiseerde uitstap) excuseren, zich ~ excuus exploderen explosief exponent export exporteren expres extra (bijkomend) extreem ezel faam fabriceren fabriek fabrikant factor factuur faculteit faeces failliet, ~ gaan faillissement falen (tekortschieten) faling familie familienaam fanfare fantaseren fantasie fantastisch fascineren fascinerend fase fataal fatsoenlijk (degelijk, bv. een ~e auto) fatsoenlijk (welopgevoed) fazant februari fee feest (bv. verjaardags~, nieuwjaars~,...) feest, ~ v.d. patroonheilige v.d. familie feestdag feestmaal feit, in ~e feit feitelijk feitelijk (strikt volgens de feiten) feliciteren fenomeen fier (bv. Zij is een ~ meisje.) fiets fietsen fietser figuur fijn (<-> grof, bv. zand) fijn (~ van karakter) file filet film filmen filosoferen filosofie filosoof financiëel Finland firma flauw (smaakloos) flauw (zonder zout) flauwekul flauwvallen fles flessenopener flink (bv. ~e jongen) flink (~e oude man) fluit, ~ spelen fluit fluiten fluiten (van vogels) fluitje fluitketel fluor (F) fluweel flux (bv. magnetische ~) folteren foltering fontein fooi foor fopspeen forel formeel formidabel formule formulier fornuis fort fosfor (P) fossiel foto fotograaf fotograferen fotokopie fototoestel fout fragiel framboos Frankrijk Frans frequent frequentie friet frietpot fris frisdrank friteuse frituur fronsen front (in oorlog) fruit fruitsap fuif functie functioneren fundament fysica fysicus fysiek gaaf (ongeschonden) gaan gaan, vlug even (ergens) naartoe ~ (bv. naar de bakker) gaar (gebraden en klaar) gaar (gekookt en klaar) gaarne gaatjesknipper gal galblaas galerie gang (in een huis) gang (~ van zaken, loop,...) gangbaar gans (geheel) gans gapen (met mond open kijken) garage (plaats voor auto in huis) garage (reparatieplaats) garantie garçon garde (klutser) garen gas (algemeen) gas (brandstof) gast gastheer gastvrij gastvrijheid gat gat (anus) gauw gauw, zo ~ gave gazet gazon ge geacht gebaar gebak (klein cake-achtig ~) gebak (~ zonder vulling, bv. cake) gebakje gebed gebergte gebeuren gebeurtenis gebied (streek) gebied (~ van expertise/interesse/...) gebit gebod (bv.: de 10 ~) geboorte geboren gebouw gebraad gebrek gebruik, ~ maken van gebruik (gewoonte) gebruik (het bezigen) gebruikelijk gebruiken gebruiken (iemand ~ in negatieve zin) gecompliceerd gedaante gedachte gedeelte gedeeltelijk gedenksteen gedicht gedienstig geïnformeerd, ~ zijn gedrag gedragen, zich ~ geduld geduldig gedurende geel geelzucht geen geen, ~ enkel geen, er is - meer geen, er is ~ geenszins geest geestdrift geestdriftig geestelijk geestelijke (alg. spiritueel begeleider) geestelijke (kerkelijk ~) geestesziek geestesziekte geestig geeuwen (gapen door de vaak) gegeven (data) gegoten (bv. ~ metaal) gehaat (door niemand geliefd) gehakt gehandicapte geheel geheim (bv. een ~e operatie) geheim, bv. een ~ verklappen geheim, bv. iets in het ~ doen geheimzinnig gehemelte geheugen gehoorzaam gehoorzamen geil geit gek (dwaas) gekwetst (gewond) gekwetst (psychologisch ~) gekwetste gelaat geld geldbeugel gelden (bv. De wet geldt voor iedereen.) geldig geleden geleden, lang ~ geleerd geleerde gelegenheid, ter ~ van gelegenheid gelei geleidbaarheid (conductiviteit) geleidelijk (stap voor stap) geleiden (bv. elektriciteit ~) geleider (elektrische ~) geliefd (bv. een ~ schrijver) gelijk (hetzelfde) gelijk, ~ hoe gelijk, ~ welke gelijk gelijk, ~ hebben gelijkaardig (analoog) gelijkenis gelijkgezinde gelijkheidsteken ( = ) gelijkstroom gelijktijdig gelijkwaardig geloof geloven (~ in...) gelovig gelovige geluid (klank) geluk (voorspoed) gelukkig (blij) gelukkig (~lijk) bv.: ~ regent het niet. gelukkige gelukwensen gemak (gemakkelijkheid; bv. iets met ~ aankunnen) gemak (welbehagen; bv. zich op zijn ~ voelen) gemakkelijk gember gemeen (slecht, laaghartig) gemeenschap (geslachts)~ hebben (met iemand) gemeenschap gemeenschap (geslachts~) gemeenschappelijk gemeente gemeentehuis gemeenteraad gemiddelde (rekenkundig ~) genade geneesheer geneeskrachtig geneeskunde geneesmiddel genegenheid generaal generatie genezen (bv. Ik ben genezen.) genezen (doen ~, behandelen; bv. Ik genees hem.) geniaal genie geniep, in het ~ genieten (opleven) genoeg (bv. Hij heeft ~ gewerkt.) genoeg (bv. Dat is ~!) genoegen (bv. Het was mij een ~!) genot geografie geologie geoloog gepast (aangepast, geschikt) gepensioneerde geraamte gerecht (maaltijd) gerechtigheid gereed gereedschap (algemeen) gereedschap (werkgerief) gerei gereserveerd gerief (gereedschap) gerief (spullen, bruikbare dingen) gerst geruis geruit gerust (bv. Neem ~!) geruststellen geschenk geschiedenis geschiedkundige geschikt geslaagd geslacht (mannelijk/vrouwelijk) geslacht (nageslacht, volk) geslachtsgemeenschap geslachtsorgaan gesloten gesp gespannen (psychologisch) gesprek gesteente (mengeling van mineralen) gestoord (getikt) getal getalenteerd getijde getikt getuige getuige (bv. bij trouw, doop,...) geur gevaar gevaarlijk (<-> veilig) geval gevangene gevangenis gevecht gevecht (mentaal ~) gevel geven geven, ~ om gevoel gevoelig gevoelsmatig gevogelte (kippen, kalkoenen, fazanten,...) gevolg (begeleiding; bv. de koning en zijn ~) gevolg (consequentie) gewaarworden (iets voelen aankomen) gewaarworden (waarnemen) geweer gewei geweld gewelddadig geweldig (enorm) geweldig (super!) geweten gewetenloos (onverantwoordelijk) gewetensvol (plichtsbewust) gewicht (blokje v. weegschaal) gewicht (zwaarte) gewond gewonde gewoon (alledaags, normaal) gewoon (iets/iemand) ~ worden gewoonlijk gewoonte gewoonte (nationale ~, traditie) gewricht gezag gezelschap gezicht (aan~) gezicht (ver~, uitzicht) gezin gezind, goed ~ gezond gezond, ~ worden gezondheid gids giechelen gier (figuurlijk) gier (roofvogel) gierig gieten (bv. de bloemen ~) gieten (iets in een vorm ~) gieter gif giftig gij gijlie gijzelaar gijzelen gil gillen (Vlaams: kressen) gillet (~ zonder mouwen) ginder gips giraf gissen gist gisten gisteren gisterenavond gitaar glad glas (drink~) glas (materiaal) glibberig glijbaan glijden glimlach glimlachen gloed (van bv. BBQ) gloeien gneis God goddelijk godsdienst godverdoemme! godzijdank goed goedaardig goedaardig (bv. een ~ gezwel) goedenacht! goedenavond goedendag goedendag, ~ zeggen, kort bellen, contacteren goederen goederentrein goedgelovig goedkeuren goedkeuring goedkoop goesting (~ hebben voor) gokken (bv.op roulette) gokspel golf golf (bv. op zee) golf (sport) gom goochelaar gooien goot (op straat) gootsteen gordel gordijn goud (Au) gouden (bv. een ~ ring) goudhandelaar (juwelier, goudsmid) gouverneur graad (temperatuur, hoekgrootte,...) graag graag (iemand) ~ zien graag (iets) ~ hebben graan (plant) graan (~korreltjes) graanschuur gracht gracieus graf grafisch grafsteen gram grammatica granaat (edelsteen) granaat (hand~, explosief) granaatappel graniet grap (mop) grappig (karaktereigenschap van persoon) grappig (mop, situatie,...) gras grasmaaier (grasmachine) grasveld gratis graven grens gretig Griekenland griep griezelig grijnzen grijpen (graaien) grijs (grauw) grijs (~ van haar) gril (zottigheid) grill grillen grillig groei groeien groen groen (van planten) groente groep groet groeten grof (<-> fijn, bv. ~ zand) grof (figuurlijk) grond (diepste reden, bv. de ~ v.d. zaak) grond (een stuk ~) grond (het materiaal ~, aarde) grond (~ in een huis, vloer) grondgebied grondig grondslag grondstof grondwet groot groot (~ van gestalte, hoog) grootheid (natuurkundige ~; bv. gewicht, lengte,...) grootmoeder (oma) grootouder grootte grootvader (opa) grot gruwelijk gsm (mobiele telefoon) gul gulzig gunstig gusle (vioolachtig instr. met 1 snaar) gymnastiek haag haai haak haak (vis~) haalbaar haan haan (van geweer) haar (beklemtoond, bv. Van ~ heb ik een bloem gekregen) haar (bezittelijk en beklemtoond) haar (bezittelijk en onbeklemtoond) haar (bv. "Ik zie ~.") haar (bv. Ik geef ~ iets.) haar (onbeklemtoond) haar (p.v., ins.) haar (p.v., loc.) haar haar (één ~) haard haard (centrum, bv. vuur~, infectie~) haardroger haarspeld haas haast (bijna) haast haasten, zich ~ haastig haat hagedis hagel hagelen hak (van schoen) hak (werktuig) haken hal hal (grote ~ in kasteel, museum,...) hal (grote ~ voor beurzen, sport,...) halen (gaan om) half halfbroer halfgeleider halfzus hallo! hallo! (aan de telefoon) hallo! (dag! / gegroet! / hoi!) hallucinatie hals halsband halsketting halte (bus~) ham hamburger hamburger-vinger hamer hamster hand, aan de ~ van hand, mekaar een ~ geven hand handbal handdoek handel handelaar handelen (in aktie treden, iets concreets doen) handelen (kopen en verkopen) handelsreiziger handicap handig handpalm handrem handschoen handschrift handtas handtekening handvat hangar hangen hap hard (<-> week) hard (kordaat) hardop hark harnas hart hartaanval hartstocht hartstochtelijk haten haven haver hazelaar (Corylus avellana) hazelnoot hebben hebben, niet ~ hebzucht hebzuchtig hechten heden heel (geheel; bv. Hij heeft de hele taart opgegeten.) heel (zeer) heelal heer Heer heerlijk (voortreffelijk) heerschappij heersen, ~ over heester heet (matig ~) heet, zeer ~ heffen heilig heiligbeen heilige heilzaam heimelijk hek heks hel (fel, zeer licht) hel helaas (spijtig genoeg) held helder (bv. uitleg) helder (bv. water) helderziend helderziende helemaal helft helicopter helium (He) helling (steile ~) helling (zachte ~) helm (bouwvakkers~) helm (leger~) helm (veiligheids~) helpen hem (beklemtoond lijdend voorwerp, bv. Ik zie hém.) hem (beklemtoond, bv. Dat is van hém.) hem (beklemtoond, bv. Ik geef hém iets.) hem (bv. Ik ben met ~.) hem (loc.) hem (onbeklemtoond lijdend voorwerp, bv. Ik zie ~.) hem (onbeklemtoond) hem (onbeklemtoond, bv. Hélp ~!) hemd hemel (lucht) hemel (paradijs) Hemelvaart hen (vrouwelijke kip) hen (bv. 2 van ~ zijn dood.) hen (bv. Ik geef ~ ...) hen (bv. Ik zie ~) hengel herbergier herder herenhuis herfst hergebruik herhalen herhaling herinneren, zich ~ herinnering herkennen hermelijn herrie, ~ maken herrie hersenen hersenschudding herstellen herstelling hert hertog hervorming Herzegovina hesp hesp, gerookte ~ het heten hetgeen (datgeen) hetzelfde heup heuvel (grote ~) heuvel (kleine ~) hevig (<-> matig; bv. een ~e wind) hiel hier hier (naar ~) / hierheen hier, van ~ hierbij (bijgevoegd) hij hijgen hikken (de hik hebben) hinderen hinderlaag hindoe historicus historie hitte hitte (broeiende ~ van de zon) hobby hobo hoe (~ ..., ~ ...) hoe, gelijk ~ hoe, ~ dan ook (bv. Ik moet er ~ dan ook zijn.) hoe hoe (~ laat?, ~oud?) hoed hoef hoefijzer hoek (bv. in een kamer) hoek (meetkundig) hoer hoes hoesten hoeve hoeveel hoeveelheid hoeven, niet ~ hoewel hof hok (rommel~, klein schuurtje) hol (van een dier) hollen homoseksueel hond hondehok (Vlaams: hondekot) honderd, 100 honderdtal Hongarije honger hongerig honing hoofd (figuurlijk) hoofd (letterlijk) hoofdletter hoofdpijn hoofdstad hoofdzakelijk hoog (<-> laag) hoogachting hoogleraar hoogte, op de ~ zijn van hoogte hoogtepunt hooi hooikoorts hoop hoop (pak, stapel) hoorbaar hoorn (muziekinstrument) hoorn (van een dier) hoorn (van telefoon) hop (plant om bier te maken) hopeloos hopen horen (met oren waarnemen) horen (moeten; bv. Dat hoort nu eenmaal zo!) horizon horizontaal horloge horoskoop hortensia (Lat.: Hydrangea) hospitaal hotel houden (vasthouden) houden, ~ van (iemand) houden, ~ voor (aanzien voor) houding (lichamelijke ~) houding (standpunt) hout houten (bv. een ~ kast/lepel/ton/...) houweel huid huidig huilen huilen (van wolven) huis huisdier huisgemaakt huisvrouw huiswerk hulp hulpeloos huls (~ van een kogel,...) hulst (Ilex aquifolium) humaan humor humus (bladgrond) hun (bezittelijk en beklemtoond, bv. Dat is ~ kind.) hun (bezittelijk en onbeklemtoond) hunkeren, ~ naar (iets/iemand) huren hurken hut huur (huis~) huur (pacht) huwelijk (moment van ~) huwelijk (staat van ~) huwelijksfeest huwelijksreis huwen hyacint (Lat.: hyacinthus) hygiëne hypocriet icoon ideaal idealisme idee identiek identiteit identiteitskaart idioot ieder (bv. ~e keer, ~ jaar, ~ mens) ieder iedereen (ieder) iemand iep (Lat.: Ulmus) Ierland iets iets, ook maar ~ ijdel ijdelheid ijs ijs (roomijs) ijskast ijskoud IJsland ijsthee ijveren (~ voor iets) ijverig ijzer (Fe) ijzeren ik illusie illustratie illustreren imam imitatie imiteren immobiliën implementatie import importeren impressie in in (náár binnen) inbeelden, zich ~ (dat men slim, sterk,... is) inbreken inbreker indenken, zich ~ inderdaad indertijd indiaan indien individueel indruk (bv. ~ maken) inductie industrie ineens ineensteken (bv. een bouwpakket ~) ineensteken (bv. een puzzel ~) ineenstorten inenten (vaccineren, bij dieren) inenten (vaccineren, bij mensen) infanterie infectie inflatie informatie ingang ingenieur ingewanden ingewikkeld ingrediënt inherent inhoud (volume) inhoud (wat erin zit/staat) inhouden, zich ~ initiaal (voorletter) initiatief injectie inkloppen inkt inktvis inleiding inlichting inloggen innig inpakken inschakelen (bv. de politie ~) inschrijven inschrijving insect insecticide inslapen inslikken insmeren inspannen, zich ~ inspanning (moeite) inspecteren inspiratie inspuiting instabiel (<-> stabiel) instappen instelling (institutie) instemming instorten instructie instrument (muziek~) instrument (technisch ~) integendeel integer (<-> corrupt; bv. een ~ man) intelligent intelligentie intentie (bedoeling) intentie (voornemen) interessant interesse interesseren internationaal interview intiem intikken intrest intussen inval invalide investeren investering invitatie inviteren invloed invoer invoeren (gegevens ~) invoeren (importeren) invoeren (introduceren, instellen) invriezen (iets ~ / doen bevriezen) invullen (bv. een formulier ~) inwoner inwrijven inzet inzetten (~ op een kansspel) inzetten, zich ~ (voor iets/iemand) inzien ironie ironisch irrigatie irrigeren islam islamiet islamitisch isolator (<-> geleider) isoleercel isoleren (afzonderen) isoleren (~ tegen kou, stroom,...) Italiaans Italië ivoor ja jaar jaarlijks jacht jachtluipaard jagen jager jaloers jaloezie jam jammer (iets) ~ vinden jammeren janken januari jarig, ~ zijn jas (overjas) jasje jawel je je (bv. Ik geef ~ iets.) je (bv. Jij wast ~.) je, bv. Ik zie ~. jegens jeneverbes (~boom; Juniperus communis) jeugd jeugdigheid jeuk jeuken jezelf (bv. Jij ziet ~ in de spiegel.) jij Joegoslavië jokken jong (<-> oud) jong (van een dier) jongen (adolescent, jongeman) jongen (knaap) jongere (jongeling) jongeren jood joods jou (bv. Ik denk aan ~.) jou, bv. Ik geef (aan) ~ iets. jou, bv. Ik zie ~ graag. journalist jouw (bezittelijk en beklemtoond) jouw (je, bezittelijk en onbeklemtoond) juffrouw juffrouw (onderwijzeres) juist (correct, <-> onjuist) juist (correct) juist (net, uitgerekend, bv. Waarom komt hij ~ nu?) juist (zopas) juli jullie jullie (bezittelijk en beklemtoond) jullie (bezittelijk en onbeklemtoond) jullie (bv. Ik geef ~ iets.) jullie (bv. Jullie wassen ~.) jullie (lijdend vw.) juni Jupiter jurist jurk jury juweel juwelier kaai kaak kaal kaap kaars kaart (inkom~) kaart (land~) kaart (speel~) kaarten kaas (algemeen) kaas (gewone ~ zoals bv. gouda) kaaskroket kabaal kabel kabeljauw kabouter kachel kade kader (v.schilderij, ook figuurlijk) kaft (van boek) kajak kajmak (soort verse kaas met room en boter) kak (kaka) kakken kakkerlak kalf kalfsvlees kalium (K) kalk kalkoen kalksteen kalm kalmeren (kalm maken) kalmeren (kalm worden) kam kamer kameraad kammen kamp kampioen kampioenschap kan (bv. melk~) kanaal (gegraven waterloop) kanaal (~ van een zender/TV/...) kanarie (Serinus canarius) kandelaar kaneel kanker kankeren (stevig doorzeuren, kritiek spuien) kano kanon kans kant, aan de ~ zetten kant (textiel) kant (zijde van een figuur/voorwerp) kantlijn kantoor kap kapel kapitaal kapitalisme kapitein kapot (gebroken) kapot (niet functionerend) kapot, ~gaan kapotmaken kappen (haar ~) kapper kapsel kapstok kar (paarden~) karaf karakter karikatuur karper karton kassa kassier kast kastanje, tamme ~ kastanjeboom, tamme ~ kasteel kat kataloog kater (mannelijke kat) kater (~ van zattigheid) kathedraal katholiek katoen katoog (reflector) kauwen kauwgom keel keelontsteking keer kegel (meetkundige figuur) kegel (~ uit een kegelspel) kei keienweg (niet verhard baantje) keizer keizerin keizerrijk keizersnede kelder kelner kenmerk kenmerkend kennelijk kennen (bv. een persoon ~) kenner kennis (kunde) kennis (vriend) kerel (jongeman) keren (draaien, wenden) keren (vegen) kerk kerkhof kerktoren kermis kern kerncentrale kers (Prunus avium) Kerstmis kerven ketel (pot) ketel (~ van centrale verwarming) ketting keuken keuze kever kidnappen kieken kiem kiemen kies (maaltand) kieskeurig kietelen kieuw kiezel kiezen kiezer kijk! kijken kijken, ~ naar kijker kikker kilogram kilometer kin kind kinderachtig kindercrèche kinderoppas kinderwagen kiosk kip kippenhok (Vlaams: kiekenkot) kippevlees kist klaar (af, afgewerkt, voltooid) klaar (bereid, gereed, in orde gebracht) klaar (helder, duidelijk, bv. van uitleg, tekst,...) klaar (helder, onbezoedeld, bv. ~ water) klaarkomen klaarmaken (bereiden) klaarmaken, zich ~ klacht klagen (~ over iets) klak klank klant klappen (in de handen ~) klaproos klas (~groep) klas (~lokaal, leslokaal) klasse klassiek klauw klaver klavier kleding kleed (jurk) kleerhanger kleermaker klei klein klein (heel ~) klein (~ van gestalte) kleindochter kleingeld kleinigheid kleinzoon klemtoon klep klepel kletsen (babbelen) kletsen (slaan) kleur kleurenblind kleurloos kleuter kleuterschool kleuterschool (~ met dagverblijf) kleven kliënt klier klimaat klimmen (naar boven gaan) klimop kliniek klink (deur~) klinken klinker (<-> medeklinker) klip klok (bel) klok (uurwerk) klonteren kloof (uitgesleten door rivier) klooster kloot klootzak kloppen (aankloppen, tikken) kloppen (juist zijn) kloppen (slaan, stoten) kluis klutser knaagdier knagen knal kneden (deeg ~) knellen knie kniestuk (vlees om in soep te koken) knijpen (1 x ~) knijpen (herhaaldelijk ~) knikker knipogen knippen knippen (haar ~, trimmen) knipperen knipperlicht knjaz (Slavische adellijke titel zoals hertog, prins) knokpartij knoop (in touw) knoop (v.hemd) knop (~ van plant) knop (~ van schakelaar/potentiometer) knopen (met een knoop verbinden) knuffelen knuppel knutselen koe koek koekoek koelkast koelte (frisheid) koepel koerier koers (van een munt) koers (wedloop, race) koetswerk koffer (valies) koffer (van auto) koffie koffieboon koffiezetapparaat kogel kok koken (eten klaarmaken) koken (iets in water ~, bv. aardappelen ~) koken (volledig hevig verdampen, op kookpunt komen) koken (~ van woede, zeer kwaad zijn) kokosnoot kolonel kom komedie komen komen, uit iets ~ komiek komijn komisch komkommer komma ( , ) kommer (miserie, ellende) konijn koning koningin koningschap koninkrijk kont kooi kookpot (hoge ~) kookpunt kool (rode ~) kool (witte ~) koolstof (C) koopje koopkracht koor (zang~) koord (alle soorten) koord (gewone juten ~) koorts kop kop (van dier) kopen koper (Cu) koper (klant) kopie kopiëren koppel (gehuwd ~) koppig koppigheid koprol (voorwaartse / achterwaartse ~) koren (landbouwgraangewas) korf koriander (Coriandrum sativum) korrel korst (bv. ~ van brood, aarde,...) korst (~ op een wonde) korstmos kort korting kortsluiting kortstondig (<-> langdurig) kortzichtig kosmos kost kostbaar (kostelijk) kostbaar (persoonlijk waardevol) kosteloos kosten kostuum (mannen~) kot (rommel~) kotelet kotsen kou, ~ hebben (bv. Ik heb ~.) kou (<-> warmte) koud (<-> warm) kous kous, kous ??? kozijn kraag kraai kraam (stand met eventueel tentdak) kraam (stevig hokje) kraan (hijs~) kraan (water~) krab krabben (~ om pijn te doen) krabben (~ omdat het jeukt) kracht (natuurkundig) krachtig (bv. een ~e wind) kramp krampachtig krankzinnig (dwaas, getikt) krankzinnig (echt geestesziek) krans krant krap kras krassen krat kredietkaart kreeft (dier) Kreeft (sterreteken) kreet, een ~ slaken kreet (uitroep) krekel kreupel (met één been korter dan het ander) kreupel (niet kunnende lopen) kriebelen kriek (Prunus cerasus) krieken, ~ van de dag krijgen (verkrijgen, behalen) krijger krijgsgevangene krijsen krijt (gesteente om te schrijven) krik kristal kritiek kritisch Kroatië kroeg kroket krokodil krokus (Lat.: crocus) krom (<-> recht) krommen kromming kroon krot kruid kruiden (bv. het eten ~) kruidenierszaak (kruidenier) kruik kruimel kruin kruipen kruis (deel van bv. paard, rond heiligbeen) kruis (schaamstreek) kruis (symbool) kruisen (bv. armen ~) kruisen (in meetkunde) kruispunt kruiwagen kruk (klein stoeltje zonder leuning) kruk (om mee te lopen) krul kubus kuchen kudde (~ schapen) kudde (~ wilde dieren) kuiken (~ van andere dan boerderijvogels) kuiken (~ van een eend) kuiken (~ van een gans) kuiken (~ van een kip) kuis kuisen kuisvrouw kuit kunnen (in de mogelijkheid zijn om te...) kunnen (weten te, bv. ~ zwemmen) kunst kunstenaar (artiest) kunstmest kunstschilder kunststof kurk kurketrekker kus kussen kussensloop kust kut kuur (verzorgende behandeling) kwaad kwaadaardig kwaadheid kwakzalver kwal kwalijk (iemand iets) ~ nemen kwaliteit kwart kwartier kwarts kweken (bv. dieren/planten ~) kweken (opkweken, grootbrengen) kwekerij, ~ van planten, bomen kwetsbaar (fragiel) kwetsen kwetsuur kwijt (iets ~ zijn) kwijtraken (vanaf geraken) kwijtraken (verliezen; bv. een sleutel ~) kwik (Hg, kwikzilver) kwitantie laag (<-> hoog) laan laars laat (<-> vroeg) laatst labiel lach lachen lachwekkend ladder lade laden lading (elektrische ~) lading (vracht) laf lafaard lak (verf) laken lam laminaat lamp land (staat) landbouw landbouwer landen (<-> opstijgen) landgenoot landmacht landschap lang (<-> kort) langdurig langs (naast; bv ~ een rivier wandelen) langs (via) langzaam lans lap (~ rond de oren) larve laserstraal lassen lasser last (lading) last (miserie) lastig (bv. een ~ kind / werk) lastig (niet comfortabel) lat (meet~) laten, ~ gaan laten, ~ staan / zitten laten, ~ zien later later (<-> vroeger) laurier lauw lava lavabo lawaai lawine leder (leer) leed leeftijd leeftijdsgenoot leeg (<-> vol) leeg (~ van gedrag) leek (<-> specialist) leem leer (bv. de ~ van Marx) leer (leder) leerkracht leerling leerstof leesbaar leeuw Leeuw (sterreteken) leeuwerik leger leggen leggen, een ei ~ leiden (voeren) leider (alg.: ~ van scouts/project/stam/...) leider (~ met macht, bv. politieker) leiding (bestuur) leiding (bv. water~, elektrische ~,...) lek (bv. een ~ke band) lekker lekstok lelie lelijk (<-> mooi) lenen lengte lengte (geografische ~) lenig (bv. een ~e atleet) lening lens lente lepel leraar (van 5de tot 8ste leerjaar) leraar (voor leerlingen vanaf 15j.) lerares (van 5de tot 8ste leerjaar) lerares (voor leerlingen vanaf 15j.) leren les lesuur (les) Letland letsel letten, ~ op (iets/iemand) letter lettergreep letterlijk (naar de letter) letterlijk (niet figuurlijk) lettertype leugen leugenaar leuk leunen leuning (van stoel) leuning (van trap, terras,...) leutig leuze leven levend (<-> dood) levendig levensbeschouwing levenslang lever (als gerecht om te eten) lever (het orgaan) leveren levering lezen lezer lezing libel (libelle) lichaam (lijf) lichamelijk licht (<-> donker) licht (<-> zwaar) licht (<-> duisternis) licht (<-> duisternis, natuurkundig begrip) lichtzinnig lid lidgeld lidmaat (arm/been) lidmaatschap lied lieden lief lief (verloofde) liefde liefhebben liefhebber liefhebberij liefst, het ~ liegen lies lieveheersbeestje lieveling liever (bv. Ik zou ~ niet gaan.) lift liften liggen liggen, gaan ~ lijden lijf lijk lijken (bv. Dat lijkt me lekker.) lijken, ~ op lijm lijn (rechte) lijn (verbinding met openbaar vervoer) lijst (kader) lijst (reeks gegevens) lijsterbes (wilde ~boom; Sorbus aucuparia) likken limonade linde (Lat.: tilia) lineair linguïst liniaal links (<-> rechts) linksaf linnen lip lippestift list liter literatuur Litouwen litteken liturgie living lof log logaritme logeren (overnachten) logica logisch lok (haar~) lokaal loket lol lolly lomp (onbeholpen) long longen longontsteking lont lood (Pb) loodgieter loodrecht (met hoek van 90° ertussen) loof (van bloemen, groenten...) loofboom look loom loon loop (gang) loop (van geweer) lopen (hard~) lopen (stappen; bv. Kan je nog ~?) lopen (wandelen, gaan) los (losgemaakt, niet verbonden) los (niet vast aangetrokken) losmaken lossen (<-> laden; bv. een schip ~) lot (levens~) lot (~ van loterij) loven lucht luchter luchthaven luchtmacht luchtmatras luchtvaart lucifer lui (<-> werkzaam) lui luid (<-> stil) luiden luidspreker luier luierik luipaard luis luisteraar luisteren luisteren, ~ naar (gehoorzamen) luitenant lukken (<-> mislukken; bv. De operatie is gelukt) lunch lust (verlangen) lusten luster luxe maag maagd Maagd (sterreteken) maaien maal maal (keer) maaltijd maan (satelliet van een planeet) maand maandag maandblad maandelijks maandstonde maandverband maar (alleen ~, slechts) maar maar (integendeel; bv. Het is niet rood, ~ blauw.) maart maat (eenheid) maat (ritme, bv. in de ~ lopen) maatbeker maatregel (bv. een ~ treffen) maatschappij (de ~, de samenleving) maatstaf Macedonië machine machinist macht (bv. De president van Amerika heeft veel ~.) macht (bv. landmacht) macht (gezag; bv. Hij is aan de ~.) macht (kracht; bv. Hij heeft ~ in zijn spieren.) machtig made (larve van vlieg of mug) madeliefje (Bellis perennis) mager (~ lichaam) magie magisch magneet magnesium (Mg) magnetron mais maiskoek met kaas mak make-up maken (herstellen) maken (vervaardigen en afgewerkt hebben) maken (vervaardigen) maken, te ~ hebben met (iets) maker makker (vriend waarmee men samenwerkt) makreel malen (bv. koffie/graan ~) mals (bv. een ~ kussen, ~e biefstuk) Malta mama man (echtgenoot) man (mannelijk persoon) management manager mand mandarine maneschijn maniak manier mank mankeren (bv. Er mankeert een stuk.) mankeren (bv. Hij mankeert iets in zijn hoofd.) mannelijk (~ van gedrag) mannelijk (~ van geslacht) mannequin mantel manueel (<-> automatisch) map (opberg~) map (~ op de schijf van een pc) marcheren margarine marge marine marjolein (Origanum majorana) marjolein, wilde ~ markt (economische ~) markt (kramen) markt (~plein) marmer Mars marsepein martelaar marter massa mast (~ van een schip) materiaal materialistisch matras matrix maximum mayonnaise mazout me (bv. Geef ~ iets!) me (bv. Hij ziet ~.) me (refleksief, bv. Ik was ~/mij) medaille mededeling medeklinker medeleven medelevend medelijden medelijden (genade; bv. De koning toonde ~.) medewerking mediaan medicament medisch mee meedelen (verwittigen) meegaan meel meeleven, ~ met (medeleven met) meemaken meenemen meer, <-> minder meer meerderheid meerderjarig meerval meervoud mees meest (<-> minst) meestal meester (meesterlijk vakman, bv. Rubens was een ~.) meester (school~) meetkunde meeuw mei meisje mekaar, na ~ mekaar mekanieker melancholie melancholisch melden (op neutrale manier meedelen, rapporteren) melk melken melkerij (zuivelfabriek) melkweg meloen men meneer menen (sterk overtuigd zijn) menen (vinden) mengeling mengen mengsel menig menigte mening mens menselijk mensen, veel ~, (volk) mensheid menstruatie menukaart mep Mercurius merel merg merk merrie (vrouwelijk paard) mes messing mest met (door middel van, bv. ~ een hamer) met (samen ~) metaal metalen (bv. een ~ kast/lepel/buis/..) meteen meten meteorologie meter (lengte~eenheid) methode meting metsen metser meubel meubelen meubelmaker (iemand die houten meubels maakt) mevrouw mezelf (bv. Ik zie ~ in de spiegel.) microfoon microgolfoven microscoop middag middageten middagmaal middel (hulp~) middel (taille) middelpunt middelst midden, ~ in (bv. ~ in de nacht) midden middenvinger middernacht mier mij (aan ~; bv. Geef ~ iets!) mij (bv. Hij ziet ~.) mij (bv. met ~) mij (refleksief) mijn (bezittelijk en beklemtoond) mijn (bezittelijk en onbeklemtoond) mijn (put met delfstoffen) mijn (wapen) mijnwerker mikken milieu (natuurlijk ~) militair miljard, 1000000000 miljoen, 1000000 millimeter milt min ( - ) minachten (<-> achten) minachting (<-> achting) minder (<-> meer) minderheid minderjarig minderjarige mineraal minimum minister minister, eerste ~ ministerie minnaar minnares minstens minuut mirakel mis (fout) mis misbruik misbruiken misdaad misdadiger miserabel miserie mishandelen miskraam misleiden mislukken mislukking misschien misselijk misselijkheid missen (een geliefde ~) missen (ernaast schieten) mist mistig misverstand mixen (in stukjes fijn~) mixer modder modder, glibberige ~ modderplas mode mode-ontwerper model (bv. schaal~) model (foto~) model (~voorbeeld, ideaal) modern moe moed moeder moeder, ~ van schoonzoon/schoondochter moederschoot moeilijk moeilijkheid (last) moeite, zonder ~ moeite, ~ doen moeite (inspanning) moeizaam moer moeras moerbeiboom moestuin moeten moeten (~ omdat het nodig is) mogelijk mogelijkheid mogen (lusten) mogen (toestemming hebben om te) mol molecule molen (bv. graan~, koffie~) molen (wind~) mollig moment momenteel mond monding monnik (katholieke ~) monnik (orthodokse ~) monotoon monster monster (staal) Montenegrijn Montenegrijns Montenegrijnse Montenegro monteren (plaatsen) monument (grafsteen, standbeeld,...) mooi moor moord moorden moordenaar mop moraal morgen (dag na vandaag) morgen, deze ~ morgen (ochtend) morsen mortel mos moskee moslim mossel mosterd mot motief moto motor motorfiets motregen mottig motto mouw mouwvegen mug muggebeet muil muis munt (muntstuk) munt (tuinkruid) muntfabriek muntstuk mus museum musiceren muts muur muziek muzieknoot muzikant mythe na (<-> voor) na (bv. Het is 5 ~ 6.) naad naaien naakt naakt (schilderij) naald (werktuig) naaldboom naaldwoud naam naamval naamwoord, bijvoeglijk ~ naamwoord, zelfstandig ~ naar naar (~ toe, in de richting van) naar, ~ (en tot aan/op; bv. Ik ga ~ zee.) naar, ~ (en tot in) naarstig naast nabij (niet ver) nabij (bij, niet ver van) nabootsen nacht (<-> dag) nachtegaal nachtmerrie nadat nadeel nadenken nadien nadruk (accent) nagel (spijker) nagel (vinger~) nagellak nagerecht naief najaar nakijken (controleren, nagaan) nakijken (inspecteren) nalatig namelijk namiddag narcis (Lat.: narcissus) narcose nat (<-> droog) natie nationaal nationaliteit natuur natuur (karakter, aard) natuurkunde natuurkundige natuurlijk natuurlijk (vanzelfsprekend) nauw nauwelijks (bijna niet) nauwkeurig nauwkeurigheid navel navolgen nederig nederlaag Nederland Nederlander Nederlands nederzetting nee (<-> ja) neef (kozijn=zoon van oom) neef (zoon van broer) neef (zoon van zus) neerleggen neerslachtig (teneergeslagen) neerslag negatief negen, 9 negentien, 19 negentig, 90 neger negeren neigen, ~ naar (overhellen naar) neigen, ~ tot nek nemen Neptunus nergens nerveus nest nestel net (proper, ordelijk) net (juist, uitgerekend) net (precies; bv. Hij lijkt ~ dood.) net (zojuist) net (vis~) netto netvlies netwerk (computer~) neuken neus neushoorn neutraal neutron nevel (dunne mist) nevelig nevens nicht (dochter van broer) nicht (dochter van oom) nicht (dochter van zuster) niemand nier niesbui niet niet, ~ meer nieten nietig nietmachine niets, voor ~ (tevergeefs) niets (bv. Ik heb ~.) nietsnut (~ die slechte dingen doet) nieuw nieuwjaar nieuws nieuwsgierig nieuwtje niezen (1 x ~) niezen (herhaaldelijk ~) nijd (afgunst) nijdig nikkel (Ni) niveau noch, ~ ..., ~ ... nochtans nodig nodig, ~ hebben, bv. Ik heb iets ~. nodig, ~ zijn, bv. Ik ben ~ op mijn werk. noemen noen nog nogmaals non (katholieke ~) non (orthodokse ~) nonkel (aangetrouwd) nonkel (broer v. moeder) nonkel (broer v. vader) nonsens nood (behoefte) nood (probleem) noodgeval noodlot nooduitgang noodzakelijk nooit noordelijk noorden (<-> zuiden) Noorwegen noot (muziek~) noot (wal~) norm normaal (<-> abnormaal) nors noteren november nu nuchter nul, 0 nummer nummerplaat nut, van ~ zijn nut (bruikbaarheid) nut (zin) nutteloos nuttig ober object objectief (<-> subjectief) observeren occultist oceaan ochtend oefenen oefening Oekraine oester oever of (alsof) of (bv. Ik weet niet ~ hij komt.) of (ofwel) offerte officiëel officier ofschoon ogenblik ogenblikkelijk ogenschijnlijk okee (in orde) oksel oktober olie oliebol olifant olijf olijfboom olm (Lat.: Ulmus) om (bv. Ik ga ~ brood.) om (bv. ~ te spelen) om (omstreeks) oma (grootmoeder) omarmen omdat omelet omgaan, ~ met ... (behandelen) omgaan, ~ met ... (verkeren) omgekeerd (bv. in ~e verhouding) omgeving (buurt) omgeving (milieu) omhelzen omhoog omkeren omkomen omkopen omlaag omstandigheid (bv. bezwarende ~) omstandigheid (bv. levensomstandigheden) omstreeks omtrek omweg omwille van omzet omzetten (bv. meters ~ in mijlen) onaangenaam onbegrijpelijk onbekend onbekende (bv. in wiskunde) onbeleefd onbeschoft onbetrouwbaar ondanks onder (lager dan) onder (tussen; bv. Hij is graag ~ de mensen.) onderaan (bv. ~ de fles ligt bezinksel.) onderaan, ~ beginnen onderbewustzijn onderbroek onderdak ondergaan ondergaan (lijdzaam ~) ondergaan (meemaken, bv. een behandeling ~) ondergang (bv. ~ van een rijk, een persoon) ondergang (~ van de zon; <-> opkomst) ondergoed onderhandelen (over iets ~) onderhandeling onderhemd onderhoud (bv. van auto) onderhouden (in goede toestand houden) onderling ondernemer (zakelijk ~) onderscheid onderscheiden ondersteboven ondertussen ondervinden onderweg onderwijs onderwijzer (leraar in lagere school) onderwijzeres (lerares in lagere school) onderzoek (dokters~, nazicht) onderzoek (enquete, politie~, bloed~,...) onderzoek (experiment, test) onderzoek (wetenschappelijk ~) onderzoeken (diagnose stellen) onderzoeken (wetenschappelijk ~, uitzoeken) onderzoeker onduidelijk (vaag) oneerlijk oneindig (bv. in wiskunde) oneven (<-> even, bv. 0,2,4,6,...) ongedierte ongeldig ongelijk, ~ hebben ongelijkheid (wiskundige ~, A>B) ongelooflijk ongeluk (ongeval) ongeluk (toestand van ~) ongelukkig ongelukkige ongerept ongerust ongetwijfeld ongeval ongeveer ongewoon ongezond onherstelbaar onjuist onkruid onlangs onmacht onmiddellijk onmisbaar onmogelijk onnodig onnozel (simpel, dom) onpaar onrecht onrust ons ons (bezittelijk en beklemtoond) ons (bezittelijk en onbeklemtoond) ons (bv. Geef ~ water!) ons (lijdend vw., bv. Hij ziet ~.) onscherp onschuldig (<-> schuldig) onschuldig (naïef) onsterfelijk onszelf (bv. We zien ~ in de spiegel.) ontbijt ontbijten ontbreken (bv. Er ontbreekt een stuk.) ontdekken ontdekking ontdekkingsreiziger ontfermen, zich ~ over (iets/iemand) ontgoocheld ontgoochelen onthaal onthouden (zich herinneren) onthullen ontkennen ontkennend (bv. een ~e zin) ontlasting ontmoedigen ontmoeten ontmoeting ontploffen ontroeren ontrouw ontslaan (afdanken, ~ uit het ziekenhuis) ontslag ontslag (bv. Ik geef mijn ~.) ontsnappen ontspannen ontspanning (amusement) ontspanning (relaxatie) ontstaan ontsteking (ziekte) ontsteking (~ van motor, bom,...) ontvangen ontvanger (radio~) ontvangst (bv. ~ van een radio/tv/...) ontvoeren ontvoering ontwerp ontwerp (tekening, plan, schets) ontwikkelen ontwikkeling ontwrichten ontzag onvergetelijk onvermijdelijk onverwacht onvoorspelbaar onvoorwaardelijk onvoorzichtig onvoorzien onweer onwettig onzichtbaar onzin oog (iets/iemand) in het ~ houden oog oogst (algemeen) oogst (graan~) oogsten ooievaar ooit ook oom (aangetrouwde ~) oom (broer v.moeder) oom (broer v.vader) oompje (koosnaam) oor oorbel oordeel oordelen (~ over iets/iemand) oorlog oorschelp oorsprong oorspronkelijk (authentiek) oorvijg oorzaak (bv.: ~ en gevolg) oostelijk oosten (<-> westen) Oostenrijk op (er zijn er geen meer) op (<-> onder; bv. ~ de kast) op prijs stellen opa (grootvader) opaal opbellen opblazen (doen ontploffen) opblazen (vullen met lucht) opbrengen (bv. Hoeveel brengt dat op?) opbrengst opdat opdracht (taak) opdringen opdringerig opeens open openbaar openen opening (gat) opening (het openen, bv. de ~ van een nieuwe winkel) openlijk opera operatie opereren opeten opgebruiken opgeven (afzien van) opgewekt opgroeien ophopen ophouden (stoppen) opinie opinie, de publieke ~ opknappen (bv. een huis ~) opladen (bv. batterijen ~) oplage opleiden opleiding opletten (aandacht geven; bv. ~ in de les) oplichten (bedriegen) oplichter oplosbaar (~ in een vloeistof) oploskoffie oplossen (een probleem ~) oplossen (iets in een vloeistof ~, bv. zout ~ in water) oplossen (in een vloeistof ~, bv. zout lost op in water) oplossing (vloeistof met iets in) oplossing (~ voor een probleem) opluchting opmaak (lay-out) opmaken (bv. geld ~, opgebruiken) opmaken (iets ~ uit iets) opmaken, zich ~ opmerken opmerking opname (film, geluid,...) opnemen (film, geluid,... ~) opnieuw opofferen, zich ~ oponthoud oppassen (opletten voor gevaar) opperen (voorstellen) oppervlakkig (<-> diepgaand) oppervlakte oprapen (bv. een papiertje ~) oprecht oproep (bv. ~ voor legerdienst) oproepen (bv. geesten ~) opruimen opscheppen (pochen) opschieten opschrijven opslag (loon~) opsluiten (iemand ~) opsporen opstaan (rechtstaan) opstaan (wakker worden) opstand (grote ~) opstand (kleine ~, rel) opsturen (versturen, bv. een brief ~) optellen optieker optimist optrekken (bv. een muur ~) opvallend opvatting opvoeden opvoeder opvoeding opvoedkunde opvolgen opvolger opvullen (bv. een gat ~) opwarmen opwinden opwindend opwinding opzet (bv. iets met ~ doen) opzettelijk opzuigen oranje orde ordelijk oregano (Origanum vulgare) orgaan organisatie organisator organiseren orgel origineel (oorspronkelijk) orkaan orkest orthodox os oud (<-> jong) ouder (vader/moeder) ouderdom ouderling ouderwets oven over (bv. Het is 5 ~ 6.) over (bv. ~ / binnen zoveel tijd) over (denken/spreken ~) over (plaatsaanduiding; bv. ~ de brug) overal overbodig overdag overdrijven overeenkomen (instemmen, bv. grammaticaal ~) overeenkomend overeenkomst (gelijkenis) overeenkomst (verdrag) overgeven (braken) overgrootmoeder overgrootvader overhalen (bv. de trekker ~) overhalen (iemand ~) overhandigen overheid overigens overleden overleven overlijden overmaken overmorgen overnachten overreden overschot overschot, stoffelijk ~ overspel overstappen oversteken overstroming overtreding overtuigen (iemand ~ van iets) overtuigend overtuiging overval overvloed (teveel) overvloed (weelde; bv. Hij leeft in ~.) overwegen overwinnen overwinning overzicht (bv. ~ over een situatie) overzichtelijk paal paar paard paardebloem paardekastanje (~boom, Lat.:Aesculus) paardenoog paardrijden paars (rood+blauw) pad (amfibie) pad (weggetje) paddestoel paffen pagina pak (hoop) pak (kostuum) pak (pakket) pakken (grijpen) pakken (inpakken) pakken (nemen) paleis paling palmboom Palmzondag pan (braad~, om in te bakken) pan (dak~) paneren (bakken met paneermeel) panne pannekoek panter pantoffel pap pap (voor baby's) papa papaver papegaai papier paprika parachute paradijs parallel paraplu parasiet parasol pardon parel paren parfum park parkeermeter parkeren parkiet (gras~ ; Melopsittacus undulatus) parking parlement partij (bv. schaak~) partij (politieke ~) partituur partner pas (bv. We zijn ~ aangekomen.) Pasen paspoort passagier passant passen, ~ op (iets/iemand) passer passeren passie passief (<-> actief) passioneel pastoor patat paté pater (katholieke ~) pater (orthodokse ~) patiënt patriarch patriot paus pauw pauze pech pedagogie pedagoog peen peer pees (kleine ~ in vlees) pees (verbinding spier-been) peiling (bv. een ~ uitvoeren) peinzen pel (buitenste schil, bv. van appel) pelargonium (foutief geranium) pellen pen (vul~) pennenzak penseel (borsteltje) pensioen peper pepermolen per (bv. ~ definitie, ~ kilo, ~ liter,...) per (bv. ~ uur, ~ kilometer,...) per (door middel van, bv. ~ post, ~ vliegtuig,...) percent percentage perfect perforator periode permanent perron pers (bv. druk~, druiven~,...) pers (gedrukte ~: kranten, tijdschriften,...) personeel persoon (grammaticale ~) persoon (mens) persoonlijk persoonlijkheid perzik pessimist pessimistisch pesten pet peterselie petroleum peul peuter (kind tussen 1 en 2,5 jaar) peuteren pianist piano pier (aardworm) pier (staketsel) pijl pijn, ~ doen (bv. Mijn hoofd doet pijn.) pijn pijnboom (Pinus) pijnlijk pijp (rookgerief) pijpestelen, ~ regenen pikant pikken pil piloot pinda pink Pinksteren pinmachine pinnen piraat pis pisbloem pispot pissen pistolet pistool pit pita (Servische ~) pizza plaaster plaats, in ~ van plaats plaatselijk plaatsen (monteren) plaatsen (situeren) plaatsen (zetten, stellen) plaatsvervanger plaatsvinden (bv. Het koncert vindt plaats in...) plafond plagen plakband plakken plan, van ~ zijn (te + inf.) plan, zijn ~ trekken plan planeet plank plannen plant (jonge kweek~) plant (kruidachtige ~) plantaardig plantage planten plantgoed plas plassen plastic plat (vlak, zonder reliëf) plataan (Lat.: platanus) platstampen (bv. druiven, aardappelen,...) plattekaas plechtig pleegouder (voogd) plegen (bv. een moord ~) plein (marktplaats) pleister (gipsmortel) pleister (plakker op wonde) pleisteren plek (plaats) plezant (bv. een ~ feestje) plezier plezierig plicht ploeg (shift, bv. nacht~/dag~) ploeg (team) ploeg (werktuig) plooi plots (onverwacht) plots (plotseling, ineens, opeens) plotseling pluim plukken plus ( + ) Pluto podium poeder (grof ~, bv. was~) poeder (zeer fijn ~, bv. bloemsuiker, schmink~,...) poep poep (anus) poepen (kakken) poepen (neuken) poes poetsen (kuisen) poetsen, tanden ~ poetsvrouw poëzie pogen poging Polen politicus politie politieagent politiek politieker pollepel pols polsslag pomp pompbak pompelmoes pompen pompier pompoen poort poos poot (van een dier, enkel onderste deel) poot (van een dier, volledig) poot (van een meubel enz.) pop populair populier (Lat.: populus) porcelein portefeuille portemonnee portie portier Portugal positie positief post (briefwisseling) postbode poster postkantoor postzegel pot (bv. bloempot) pot (kook~) pot (voor confituur enz.) potlood potvis prachtig praktijk praktisch praktisch (vrijwel) praten precies (stipt, nauwkeurig) precies (net; bv. Hij is ~ dood.) prediken prediker preek prei premier prent presentator presenteren (voorstellen) president pret priester (katholiek ~) priester (orthodox ~) prijs (gewonnen ~, beloning) prijs (kost~) prijslijst prijzen (loven) prikkelbaar prikken primitief principe prins prinses printer prioriteit privaat proberen (trachten) proberen (uitproberen) probleem procent (%) proces proces (gerechtelijk ~) producent produceren product (handels~, chemisch ~,...) product (wiskundig ~) productie proeven profeet professor profetie profijt profiteren prognose programma progressief project proper prostituee protest protestant protesteren proton provincie pruik pruim pruimenbrandewijn psychiater psychisch psycholoog psychoterapeut puber publiciteit publiek pudding puin puist punaise punt (scherp einde, bv. ~ van een mes) punt (stip, leesteken . ) punt (waarde~) puntkomma (;) pupil purper put (bv. in de weg) put (diepe ~, gang, grot) put (water~) putten (bv. kracht ~ uit iets) puur (zonder toevoegsels) puzzel (leg~) pyjama quiche (Servische ~) raad (advies) raad (bestuurs~ van bedrijf, ~ van wijzen,...) raad (gemeente~, provincie~, parlement,...) raadgeven raadsel raaf raam (enkel de omlijsting) raam (venster met ~) raap raar (vreemd) raden (gissen) raden (juist ~; bv. Ik heb het getal geraden.) radiator radijs radio ragout raken (aangrijpen; bv. die film heeft mij geraakt.) raken (aanraken) raken, geraken (~ aan) raket (ruimtetuig) raket (tennis~) ram (mannelijk schaap) Ram (sterreteken) rammelen ramp rand rap rapen ras rasp raspen rat rationeel rauw (<-> gaar) ravijn razen (razend tekeer gaan) razend reactie reageren realiseren realiseren, zich ~ realiteit rebel recent recept receptie (feestje) receptie (in een hotel) recht (<-> krom) recht (bv. ~ hebben op iets) rechtbank rechtdoor rechter rechthoek rechts (<-> links) rechtsaf rechtschapen (braaf, deugdzaam) rechtstreeks (direct) rechtvaardig rechtvaardigen reconstrueren recyclage redden redding rede, tot ~ brengen rede redelijk (verstandig) reden redeneren ree reeds reëel reeks reflecteren reflectie reflector (~ op fiets) regel (bv. verkeers~) regel (gewoonte) regel (tekst~, lijn) regelen regeling regelmatig (geregeld) regelmatig (symmetrisch, volgens de regels) regen regenboog regenen regenjas regenscherm regeren regering regisseur register reiger reiken (~ tot = gaan/komen tot) reis, Goede ~! reis reisbureau reispas reizen reiziger rek (om iets op te zetten) rekbaar rekenen rekenen, ~ op (iemand/iets) rekening (bv. bank~) rekening (bv. ~ in restaurant) rekenmachine rekken reklame relatie (verhouding) relatief religie rem remmen rendabel rennen reparatie repareren reproductie reptiel republiek reputatie reserveren respect rest restaurant restaureren resultaat reuk reus reusachtig revolutie revolver rib richten richting ridder riem riem (broeks~) riet rietje (strootje) rij (bv. De mensen wachten in een ~.) rijbewijs rijden rijden, ~ met rijf rijk (<-> arm) rijk, ~ worden (zich verrijken) rijk rijkdom (<-> armoede) rijm (in gedicht) rijm (rijp, bevroren dauw) rijmen (dichten) Rijn rijp (fruit) rijst rijststoofschotel rijzen (bv. deeg laten ~) rimpel ring (juweel) ring (~weg) ringvinger rinkelen (geluid van telefoon) riool risico riskant riskeren rit ritme ritssluiting rivier robijn roddel roddelen roeiboot roeien roekeloos roem (faam) Roemenië roepen (iemand ~ om te komen) roepen (zeer luid spreken, schreeuwen) roer roeren roest roesten roet rogge rok roken (bv. sigaretten ~) roken (bv. vis/vlees ~) roker rol (bv. ~ wc-papier, plakband,...) rol (~ spelen in) rollade (met rijst,zuurkool,gehakt) rollen rolluik rolschaats rolstoel roman romantisch rommel rommelig romp (van lichaam) rond rond (bv. De aarde vliegt ~ de zon.) rond (omstreeks) ronde rondom rood roodborst (Erithacus rubecula) roodkapje roofdier rook room roomijs roos (bloem) roos (haarschilfertjes) rooster (fysiek ~) rooster (schema, bv. uur~) roosteren rosé rot (bv. ~ fruit) rot (~te tand, ~ karakter,...) rots rotten rotzak rouw rouwen (~ om iemand/iets) rouwkledij (zwarte ~) roven roze rozemarijn rozijn rubber rug ruggegraat rugzak ruiken (afgeven van reuk; bv. Bloemen ~.) ruiken (door dieren, snuiven) ruiken (waarnemen van reuk door mens) ruiker ruil (bv. in ~ voor) ruilen ruimte (kosmos) ruimte (plaats) ruimtetuig ruis ruit (glazen ~) ruit (meetkundige figuur) ruiter (berijder van een paard) ruiter (berijder van gelijk welk dier) ruitewisser rumoer rund rundvlees rups Rusland rust rusten rustig ruw (brutaal) ruw (onbewerkt, bv. een ~e diamant) ruw (ongeschaafd, oneffen, bv. ~e huid) ruzie ruziemaken saai (oninteressant) sabel saffier salade salade, "Servische" ~ (= gewoon gemengde ~) salade (~ van opgelegde groenten) salade, gemengde ~ met geraspte kaas salamander salami salaris saldo salon samen samenstellen samenwerking sandaal sanitair sap sappig sardine saté (vlees op stokje) satelliet Saturnus saus scampi (reuzengarnaal) schaakspeler schaal (schotel) schaal (van ei) schaal (van grafiek, landkaart,...) schaal (~ van dier) schaaldier schaambeen schaamlip schaamte (verlegenheid) schaamteloos schaap schaar schaats schaatsen schab schade (bv. storm~) schadelijk schaden schaduw (lommerte) schaduw (vorm) schakel schakelaar schaken (schaak spelen) schamen, zich ~ (verlegen zijn) schamen, zich ~ (wegens slechts gedrag) schandalig schande scharnier schat schatten schattig schatting schede (vagina) schede (~ van een zwaard) schedel scheel scheenbeen scheepvaart scheerapparaat scheermes scheet scheiden (afzonderen, opzij zetten) scheiden (splitsen, van mekaar ~) scheiden (uit de echt ~) scheiding (afzondering, bv. ~ van kerk en staat) scheiding (het uiteengaan) scheikunde scheikundige schelden schelen (bv. Dat kan mij niet ~!) schelp schemering, avond~ scheppen (bv. water/zand/... ~) scheppen (creëren) scheren, zich ~ scherf scherm (projectie~) scherm (van pc, tv,...) scherm (voor wind/zon/...) scherp (bv. een ~e hoek, punt) schertsen schets scheur scheuren (kapotgaan) scheuren (kapotmaken) scheut (ontkiemd zaad) schieten schijf (harde ~ van pc) schijf (plat rond voorwerp) schijn schijnbaar schijnen (stralen) schijnheilig schijten schijterij schil (~ van fruit) schild schilder (kunst~) schilder (stielman) schilderachtig schilderen (een muur ~) schilderen (een schilderij ~) schilderij schildpad schillen schim schimmel (op kaas, muur,...) schip schitterend schmink schnitzel schoeisel schoen schoenmaker schoffel schok (fysische ~) schok (psychologische ~) schokken (psychologisch) schokkend scholing schommel schommelen school (algemeen) school (lagere ~) school (middelbare/secundaire ~, college) school (~ vissen) schoon schoonbroer (broer van mijn vrouw) schoonbroer (echtgenoten van 2 zussen) schoonbroer (man van mijn zus) schoondochter schoonheid schoonheid (mooi meisje) schoonheidsspecialist schoonmoeder (moeder v.man) schoonmoeder (moeder v.vrouw) schoonvader (vader v.man) schoonvader (vader v.vrouw) schoonzoon schoonzus (vrouw van broer van mijn man) schoonzus (vrouw van mijn broer) schoonzus (zus van mijn man) schoonzus (zus van mijn vrouw) schoorsteen schoorsteenveger schoot (bv. op de ~ zitten) schop (botte ~) schop (scherpe ~) schoppen (1x ~) schorpioen Schorpioen (sterreteken) schors schot (van wapen) schotel (gerecht) schotel (schaal) Schotland schouder schouw schouwburg schram schreeuwen (luid kwaad roepen) schrift (bv. Latijns ~, cyrillisch ~, hiërogliefen~,...) schrift (schrijfboek) schrijnwerker schrijven schrijver (algemeen, de ~ van iets) schrijver (serieus boeken~) schrik, ~ hebben van schrik schrikken schrikken (iemand) doen ~ schroef (van een schip, vliegtuig,...) schroef (vijs) schroevendraaier schroom schudden schuif schuilen (bv. ~ voor de regen) schuim schuin schuld (financiële ~) schuld (morele ~) schuldig schuldige schuur (echte ~ voor opslag van de oogst) schuw (bij mens) seconde secretaris sedert seizoen seks sekse seksueel selder (selderij) senaat senator sentimenteel september serie serieus sering serre service Servië Serviër Servisch Servische sfeer (stemming) shampoo sieraad sieren sigaar sigaret signaal significant sikkel silicium (Si) simpel sinaasappel sinds (bv. Hij rookt niet meer ~ juli.) Sinksen sint sinus siroop (medicament) siroop (vruchten~) situatie situeren sjaal sjotten (1x; bv. tegen een bal stampen) sjotten (herhaaldelijk tegen een bal stampen) skelet ski skiën sla (krop~) slaaf slaan (kletsen, een oorvijg geven) slaan (kloppen, bv. op de muur ~) slaan (~ om te knokken/vechten) slaap, in ~ vallen slaap slaapkamer slaapzak slachten slachtoffer slagader slagboom slagen (bv. voor een examen -) slagen (lukken, bv. De operatie is geslaagd.) slagen, erin ~ (iets te doen) slagen, ~ in (iets; bv. ~ in het leven) slager slagerij slagroom slak slang (darm; bv. tuin~) slang (reptiel) slank slap slapeloos slapen slaperig slecht (<-> goed; bv. ~ karakter, ~e punten,...) slechter (<-> beter) slechts slee slenteren slepen (bv. een auto ~) slet sleur sleutel (voor slot) sleutel (werktuig, engelse ~) sleutelgat slib slijk slijk, glibberig ~ slijm slijmen (vleien om iets te verkrijgen) slikken slim (<-> dom) slinger (bv. van een klok) slip (onderbroek) slippen sloef slok sloot (NL: smalle gracht, B: gracht) slordig (~ persoon) slot, op ~ slot, op ~ doen slot (versterkt kasteel) slot (voor sleutel) slotenmaker Slovakije Slovenië sluier sluipen (binnen~, in~) sluis sluiten (iets ~, toedoen) sluiten (op slot doen, af~) slurf sluw smaak smachten, ~ naar (iets/iemand) smakelijk (lekker) smakelijk!, smakelijk! smaken, lekker ~ smal (<-> breed, bv. een ~le straat) smaragd smeden smeerlap smeken smelten smelten (volledig ~) smeren (bv. een boterham ~) smerig smid smijten smoren smos smossen smoutebol snaar snaarinstrument snappen snee (snijwonde) snee (van brood, vlees,...) sneeuw sneeuwen Sneeuwwitje snel snelheid (vaart) snijden snijden (in meetkunde) snoeien snoek snoekbaars (Lat.: Sander lucioperca) snoep snoer snor snot snotneus (naïeve, onnozele jongen) snuffelen snuit snuiten (neus ~) snurken sociaal sociaal assistent socialisme sociologie socioloog soep soep (dikke ~) soepel (buigzaam, vouwbaar) sofa soja sok soldaat (militair zonder rang) soldeersel (tin+lood+hars) solden solderen solidair solidariteit solist sollicitatie solliciteren som somber (bv. ~ gedrag, kleur,...) somber (bv. ~ weer) sommige (bv. ~ mensen) sommigen (bv. ~ houden daarvan.) soms somtijds soort sorry souvenir sowieso Spaans spaarbank spaargeld spaarzaam spade Spanje spannen spannend (bv. een ~e film) spanning (elektrische ~) spanning (psychologische/lichamelijke~) spar spar (Servische ~ = Picea omorica) sparen (geld ~) specerij speciaal specialist (gespecialiseerde dokter) specialist (vakman) speeksel speelgoed speer spek speken spel speld spelen (kinderbezigheid) spelen (veinzen) spelen (~ op een instrument) speleoloog speler spenderen (geld ~) spiegel spiegelei spier spijker spijsvertering spijt (berouw) spijt (verdriet, bv.: Tot mijn ~ ...) spijten (bv. Het spijt me dat ik gelogen heb.) spijten (bv. Het spijt me dat u lijdt.) spijtig (iets) ~ vinden spin spinazie spinneweb spion spiritueel spit spleet spleet (scheur, bv. in gletscher) splijten splinter spoed spoeden, zich ~ spoedig spoel spoel (inductie~) spoelen (met water) spons spook (geest van een dode) spoor, op het ~ komen spoor (trein~, tram~) spoor (voet~) spoorweg spoorwegmaatschappij sport sporter sportschoen spotprent spotten (lachen met iemand) spottend spraakkunst spraakzaam (<-> zwijgzaam) spreekwoord spreeuw spreiden spreken spreker spreuk springen (één keer ~) springen (herhaaldelijk ~) sprinkhaan sproeier (om veld te besproeien) sproet sprong sprookje spruit (meestal mv.: spruitjes) spruit (scheut, jong kindje) spuit spullen spuwen staal (metaal) staal (monster) staan staart staat, in ~ zijn (tot iets) staat (land) staat (toestand) staatsburger staatshoofd stabiel (<-> labiel) stad stadhuis staken staking stal stam (van boom) stam (volk) stamboom stand (bv. iemand van hoge ~) stand (~ op een beurs, tentoonstelling,...) standbeeld standpunt (gezichtspunt; bv. Vanuit mijn ~ is dat goed.) standpunt (houding; bv. zijn ~ t.o.v. abortus) stank stap stapel (bv. hooi~) stapelen (bv. hout ~) stappen staren start starten (beginnen) starten (op~, bv. een motor ~) station steek (iemand) in de ~ laten steek (prik) steel steen steenbok Steenbok (sterreteken) steengroeve steengruis steenkool steil stek (~ van plant) stekel steken (prikken) stekken stekker stekske stelen stellen (poneren) stelling (bewering, veronderstelling) stem stemmen (een instrument ~) stemmen (verkiezen) stemming (atmosfeer) stempel stenen (bv. een ~ trap/vaas/huis/...) ster sterfelijk sterfte sterk sterken sterkte sterrenkijker sterrenkunde sterrenkundige sterrenwichelaar sterven steunen (onder~) steur stevig stichten stiefmoeder stiefvader stiekem stiel stielman stier (mannelijk rund) Stier (sterreteken) stift stijf stijgen stijl stikken (borduren) stikken (ver~) stikstof (N) stil (<-> luid) stilstand stilte stinken stip stipt stiptheid stoefen stoel stoelgang stoep stoer stof (leer~) stof (materie) stof (textiel) stof (vuil) stofzuigen stofzuiger stok stollen (<-> smelten) stom (dom, idioot) stom (niet kunnende spreken) stomatoloog stoof stoom stopcontact stoppen storen storing storm stort storten (overmaken naar een rekening) stoten (een stoot geven) stoten, ~ op stotteren stout (<-> braaf) stouterik (nietsnut) stoven (garen in afgedekte pan) straal (~ vloeistof / gas) straal (~ zonlicht) straaljager straat straf (sterk) straf strafbaar straffen straks (binnen enkele uren) stralen strand strategie streek (gebied) streek (kattekwaad) streep (dikke ~) streep (dunne ~) streepje (verbindings~ / splitsings~, - ) strelen (aaien) streng streng, ten ~ste (bv. ten ~ste verboden) stress streven (~ naar iets) strijd strijden strijdlustig strijken strijkijzer strijkplank strik stripverhaal stro strofe stromen (weglopen van bv. water, tranen) stronk stront stroom (elektrische ~) stroom (water~ van regen) stroop strot structuur struik struikelen struisvogel student studeren studie (onderzoek) studie (opleiding) stuk (kapot) stuk (bv. 5€ per ~) stuk (bv. een ~ hout, steen, zilver,...) stuk (deel, bv. een kwart, een vijfde) stuk (onderdeel) sturen (aan een stuur draaien) sturen (zenden) stuur subjectief (<-> objectief) substantief succes succesvol suf suiker suikerbiet supermarkt surfen symbool symmetrisch sympathiek synthetisch (<-> natuurlijk) systeem t-shirt taai (<-> broos) taak (opdracht) taak (plicht) taal taalkundige taart tabak tachtig, 80 tact tactvol tafel tafelkleed tafellaken taille tak takelwagen taks talent (gave) talloos talrijk tam (<-> wild) tampon tand tandarts tandenborstel tandenstoker tandpasta tandwiel tang tangens tank (benzine~) tank (legervoertuig) tante (vrouw v.broer v.moeder) tante (vrouw v.broer v.vader) tante (zus v. vader of moeder) tapijt (algemeen) tapijt (handgeweven met speciaal patroon) tappen (~ van een vat) tarwe tas (draag~) tas (kopje) tastbaar tasten taverne taxi taxus te (voor inf., bv. "Hij zit te eten") te (~ veel, ~ groot,...) te (plaatsbepaling, bv. Geboren ~ Antwerpen) team techniek technieker technologie teder teef (vrouwelijke hond) teek teelbal teen teer (gemakkelijk kapotgaand) teer tegel tegen (contra, anti) tegen (dichtbij; bv. ~ het einde van de dag) tegen (in aanraking met) tegen (in omgekeerde richting) tegen (jegens) tegen (rond; bv. Hij komt ~ 5 uur.) tegen (ten laatste; bv. Dat moet ~ vrijdag af zijn.) tegendeel (tegenovergestelde) tegengesteld (~ in waarde, ~e zin,...) tegengestelde (bv. -5 en +5 zijn ~en.) tegenhouden (iets/iemand ~) tegenkomen (2 personen die mekaar ontmoeten) tegenkomen (iets onderweg ~, bv. problemen) tegenover (aan de overkant van de straat) tegenover (jegens) tegenover (positioneel ~) tegenslaan tegenslag tegenspraak tegenspreken tegenstander tegenstelling tegenvallen tegenwoordig (aanwezig) tegenwoordig (huidig) tegenwoordig (nu) teken tekenen (een tekening maken) tekenen (handtekening zetten, onder~) tekening tekort (<-> teveel) tekst telefoneren telefoon telefoonboek telefoonnummer telescoop teleurstellen televisie televisietoestel teljoor tellen temmen (tam maken) tempel temperatuur tempo tenger tenlaatste tenminste (minstens) tennis tent tentoonstellen tentoonstelling tenvroegste tenzij tepel ter (bv. ~ wereld) teraardebestelling terechtkomen terechtstellen terloops term termijn (bv.: op ~) terras terrein terreinwagen territorium terug (naar punt van vertrek) terugbrengen teruggetrokken terughoudend (afstandelijk, voorzichtig met contact) terugkeren (<-> vertrekken) terugtrekken terwijl test testament testen testis tet teugel teveel (<-> tekort) tevens tevergeefs tevreden (voldaan) tevredenstellen (iemand ~) tewerkgesteld tewerkstellen thans theater thee theepot thema theorie thermometer thesis thuis (bv. Hoe laat kom je ~?) thuis (bv. Mijn ~ is waar mijn ... staat!) ticket tien, 10 tiet tijd tijd (enige ~, poos) tijdelijk tijdens tijdgenoot tijdperk tijdschrift tijdspanne tijdverlies tijger tijm tijpen tikken (bv. tegen het venster ~) tillen timmerman tin (Sn) titanium (Ti) titel (aanspreek~, bv. generaal, monseigneur,...) titel (bv ~ van een boek, krantekop, film,...) toast (warme snee geroosterd brood) toch toe toe (naar ~) toedoen toegang toegangscode toegankelijk toegeven (erkennen) toegeven (zwichten) toegewijd toekennen toekomst toekomstig toelaten (<-> verbieden) toelating toen (destijds) toen (bv. ~ ik klein was,...) toename toenemen toenmalig toepassen toepassing toer (beurt) toer (ronde) toerisme toerist toeschouwen toeschouwer toespeld toespeling toespraak toestaan toestand (staat) toestel toestemming toeter (claxon) toetreden toets (test) toets (~ van een computer) toets (~ van een klavier) toetsenbord toeval toevallig toevertrouwen toevlucht toevoegen (iets ~ aan iets) tof toilet (WC) tol (draaiend speeltuig) tol (wegen~) tolerant tolerantie tolereren tolk tomaat ton (1000kg) ton (vat) toneel toneelstuk tonen tong (mondorgaan) tong (vis) tonijn toon toosten top topaas toppunt toren tornado tortelduif tot, ~ nog toe tot, ~ voor kort tot (bv. Ik wacht ~ je klaar bent.) tot (bv. ~ ziens!) tot ziens totaal touw (gewoon juten ~) tovenaar toveren traag (<-> snel) traag traan trachten tractor traditie traditioneel tragedie tragisch trakteren tralie tram transistor transparant transpireren transport trap trappen (stampen, bv. ~ tegen een bal) trappen (voeten neerzetten) trauma trechter treffen (bv. Dat treft, dat u hier bent!) treffen (een doel ~, erop zijn) trein treiteren trekken (<-> duwen) trekken (rond~, zwerven) trekken (uithalen, bv. een tand ~) trekken, ~ op trekken, ~ uit treurwilg (Salix babylonica) tribune triestig trillen triomf troebel (<-> helder) trofee troffel trolleybus trommel (instrument) trommel (~ van bv. een wasmachine) trompet troost troosten tropisch trots (bv. Papa is ~ op zijn zoon.) trots trottoir trouw (getrouw, echt; bv. een ~e kopie) trouw (toegewijd) trouw trouwen trouwen (man vindt vrouw) trouwen (vrouw vindt man) trouwens (bv. ~, weet je dat hij getrouwd is?) trui truweel Tsjechië tuin tuinier tuinslang tulp (Lat.: tulipa) tunnel Turkije Turks turnen tussen (echt ~ twee in) tussen (onder; bv. Hij is graag ~ de mensen.) tussendoortje tussenschot tussentijd (bv. in ~) tut twaalf, 12 twee, 2 tweede, 2de tweehonderd, 200 tweeling Tweelingen (sterreteken) twijfel (argwaan) twijfelen (aarzelen) twijfelen, ~ aan ... (wantrouwen) twintig, 20 twist twisten type typisch typist u (bv. Ik geef ~ iets.) u (bv. Ik zie ~.) u (bv. U wast ~.) u (onderwerp) ui uil uit (<-> aan) uit uit (van welk materiaal; bv. ~ goud) uitbarsting uitbeelden uitbuiten uitdagen uitdagend (gewaagd) uitdaging uitdoen (kleren ~) uitdrukkelijk uitdrukken (uiten) uitdrukking (gezegde) uitdrukking (uiting, expressie) uiteindelijk uiteraard uiterst uiterste uitgaan uitgang uitgave uitgerekend (juist, net) uitgeven (boeken ~, publiceren) uitgeven (geld ~) uitgever uitgezonderd (behalve) uitglijden uiting uitkiezen uitkijken (oppassen) uitkleden, zich ~ uitlaat uitlachen uitladen (<-> inladen) uitleg uitleggen uitlenen (~ aan...) uitloggen uitnodigen uitnodiging (bv. ~ voor een huwelijksfeest) uitpersen (bv. een citroen / appelsien,... ~) uitroeien uitroepen (bv. iemand tot president ~) uitroepteken (!) uitrusten uitrusting (bv. een duik~, kampeer~,...) uitschenken uitslag (huid~) uitslag (resultaat) uitsluitend uitspraak (manier van uitspreken) uitstaan (bv. Ik kan hem niet ~.) uitstalraam uitstap uitstekend (zeer goed) uitstel uitstellen uitsterven uitstrekken, zich ~ (tot/over) uittrekken (kleren ~) uitvaart uitverkoop uitvinden uitvinder uitvinding uitvissen (iets ~) uitvlucht uitvoer uitvoeren (een werk / programma ~) uitvoeren (exporteren) uitwerpselen (gewoonlijk van dieren) uitwijkeling uitwissen (bv. gegevens ~) uitwringen (bv. een doek ~) uitzenden uitzending uitzicht (bv. ~ op een landschap) uitzicht (uiterlijk van een persoon) uitzien, ~ naar (iets/iemand) uitzondering uitzonderlijk unie (bv. ~ van 2 verzamelingen, bv. Europese ~) uniek (enig) universiteit universum Uranus urine urineren uur (60 minuten) uurwerk uw uw (meewerkend voorwerp) uzelf (bv. U ziet ~ in de spiegel.) vaag (onduidelijk) vaag (oppervlakkig; bv. Ik ken hem ~.) vaak (dikwijls) vaak vaart vaarwel! vaas vaat, de ~ doen vaatwasser vacht (~ van een schaap) vader vader, ~ van schoonzoon/schoondochter vaderland vagina vak (beroep) vak (onderverdeling, veld op spelbord/scherm) vak (op school) vakantie vakantie (school~) vakbond vakkundig vakman val (bv. muize~) val (bv. ~ van een rijk, een persoon) val (het naar beneden vallen) valies valk vallen valling vals (<-> echt; kunstmatig; bv. een ~ gebit) vals (gelogen; bv. een ~e getuigenis) vals (kwaadaardig) valscherm vampier van (afkomstig uit) van (behorend bij; bv. Dat is ~ mij.) van (bestaande uit) van (vanaf, vanuit; bv. Dat idee komt ~ mij.) van (volgens; bv. Ik moet ~ de dokter.) van (~ op; bv. ~ de grill) vanaf, ~ nu vanalles vanavond (deze avond) vandaag (deze dag) vandaag, van ~ vangen (bv. een dief ~, een bal ~) vangen (vis, wild,... ~) vangst vanille vanmorgen (deze morgen) vanwaar (bv. ~ de drukte?) vanwege vanzelf vanzelfsprekend varen varken varkensvlees (vettig ~ in stukjes) vast (bv. werk) vast (hecht, ferm, bv. knoop) vast (op slot) vastberaden vasten vastgoed (onroerend goed) vasthouden, zich ~ vastkleven vastleggen (bestemmen) vastleggen (overeenkomen over, afspreken) vastleggen (plannen) vastmaken vastplakken vaststellen vat (alg. recipiënt) vat (ton) vechten (knokken) vechten (met wapens ~ / figuurlijk) vee veel (bv. Hij kan ~ eten.) veel (bv. ~ mensen) veel veelzijdig veer (elastisch object) veer (pluim) veer (~boot) veertien, 14 veertig, 40 veeteelt vegen (met borstel op~) vegetariër vegetarisch veilig (<-> gevaarlijk) veiligheid veiligheidsgordel veiligheidsspeld veiling veinzen vel (~ van een dier/mens) veld (bewerkt ~ voor landbouw) veld (bv. elektrisch ~) veld (onbewerkt ~, bv. bloemen~) veld (~ op spelbord, tabel, scherm,...) velen (bv. ~ zijn geroepen.) venster vent ventilator Venus ver veraf (<-> dichtbij) verafschuwen veranderen verandering verantwoordelijk verantwoordelijkheid verassing verbaasd verband (verbinding, link, bv. wiskundig ~) verband (verpleegkundig ~) verbandkist verbannen verbazen verbeelding verbergen verbeteren (beter maken/worden) verbeteren (rechtzetten) verbieden (<-> toelaten) verbinden (aaneenknopen/plakken/...) verbinden (verenigen, bv. telefoon, ei+zaad) verbinding (bv. telefoon~) verbinding (bv. ~ met lijm/cement/...) verbinding (verband) verbleken verblijf verblijven verblinden verbod verboden (<-> toegelaten) verbranden (actief; bv. Ik verbrand het hout.) verbranden (passief; bv. Het hout verbrandt in de stoof.) verbreken (onderbreken) verbruiken (bv. benzine, water,... ~) verbruiker verdacht (onder verdenking) verdacht (~ van aard, raar uitziend,...) verdampen verdedigen verdelen (bv. kaarten ~) verdelen (distribueren) verdenken verder verdergaan verdienen (bv. geld ~) verdienen (~ wegens goedheid, waard zijn) verdienste (goede daad) verdienste (verloning) verdienstelijk verdorie! verdoven (onder verdoving brengen) verdoving verdraagzaam verdraagzaamheid verdraaien verdrag verdragen verdriet verdrietig verdringen (onderdrukken, wegsteken) verdrinken (dooddoen door verdrinking) verdrinken (sterven door verdrinking) verduistering verdwalen (de weg kwijtraken) verdwenen verdwijnen vereenvoudigen vereffenen (bv. schulden ~) Verenigde Staten van Amerika verenigen vereniging verf (haar~) verf (muur~) verfrissen verfrissend vergaderen (een vergadering houden/hebben) vergadering vergankelijk vergeefs vergelijken vergelijking vergelijking (wiskundige ~, A=B) vergeten vergeven (met vergif ~) vergeven (pardonneren) vergif vergiftigen vergissen, zich ~ (een fout maken waar men spijt van heeft) vergissen, zich ~ (verstrooid zijn) vergissing vergoeden vergroten vergroting (bv. ~ van een foto) vergunning verhaal verheffen (bv. zijn stem ~) verhemelte verhinderen (voorkomen) verhouding, in ~ tot/met verhouding (relatie) verhouding (~ van getallen, breuk) verhuizen verhuren (immobiliën ~) verjaardag verjagen verjaren verkeer verkeerd verkeersbord verkeerslicht verkeersopstopping verkiezing verklappen (bv. een geheim ~) verklaren (bekendmaken) verklaren (duidelijk maken) verklaring (bv. bij politie) verklaring (uitleg) verknoeien verkoop verkopen verkoper verkoudheid (lichte ~) verkoudheid (zware ~) verkrachten verkwisten verlagen, bv. prijzen ~ verlamd verlangen (~ naar) verlangen (lust) verlaten (weggaan van, laten) verleden (vorige) verleden (<-> toekomst) verlegen (bv. ~ om op een podium te komen) verleidelijk verleiden verleider verleiding verliefd verliefd, ~ worden verlies verliezen (<-> winnen; bv. een spel, oorlog,...~) verliezen (kwijtraken) verlof (jaarlijkse vakantie, rust) verlokken verlokking verloochenen verloofde (mannelijk) verloofde (vrouwelijk lief) verloop verlopen (verstrijken) verloren (iets ~ zijn) verlossen verlossing verloven, zich ~ verloving vermaak vermaard vermakelijk vermaken vermanen vermenigvuldigen (een vermenigvuldiging maken) vermenigvuldigen (herhaaldelijk rekenkundig ~) vermenigvuldigen, zich ~ vermijden (iets/iemand~ / uit de weg gaan) verminderen (<-> vermeerderen) vermoedelijk vermoeden (veronderstellen) vermoeien vermoeiend vermogen (bv. Hij heeft het ~ om de toekomst te zien.) vermoorden (iemand ~) vernederen vernemen (informatie bekomen) vernemen (van iemand ~) vernielen vernietigen veronderstellen verontrust verontschuldigen, zich ~ verontschuldiging veroordelen veroordeling veroorzaken verouderen verpakken verpakking verplaatsen verplanten verpleegster verplegen verplicht verplichten verplichting verraad verraden (bv. een geheim ~) verraden (bv. een vriend ~) verrader verrassen verrassing verrekijker verrichten (een transactie ~) verrichten (iets ~, maken tot het af is) verroeren verrukkelijk vers verschieten verschieten, doen ~ verschijnen verschijning verschijnsel verschil (kwalitatief ~) verschil (kwantitatief, bv. ~ tussen 8 en 6) verschillend verschillende (verscheidene die niet gelijk zijn) verschrikkelijk (bv. ~ goed) verschrikkelijk (erg) verschrikkelijk verschuilen verschuiven versie versieren (decoreren met bv. schilderijen) versieren (tooien voor een speciale gelegenheid) versieren (verleiden) versiering verslaan (een verslag maken) verslaan (overwinnen) verslechteren verslensen versleten verslijten versmossen versnellen versnipperen verspillen verstaan (begrijpen) verstaan (woorden goed kunnen horen) verstaanbaar verstand, ~ hebben van (iets) verstand (brein, intellect) verstandig (redelijk) verstandig (slim) versterken (aanspannen, verstraffen,...) versterken (bv. muziek elektronisch ~) versterker verstillen verstoppen (1x verbergen; bv. snoep ~ voor de kinderen) verstoppen (langdurig verbergen) verstoppen (van neus, wc,...) verstoren verstrooid verstroppen verstuiken vertalen vertaler vertaling vertegenwoordigen vertegenwoordiger vertellen verteren (eten ~ in de maag enz.) verteren (psychologisch) verticaal vertragen vertraging (<-> versnelling) vertraging (oponthoud; bv. De trein heeft 5 min. ~.) vertrek (begin van een reis) vertrekken (bv. een reis aanvangen) vertrouwelijk vertrouwen (iemand/iets ~) vertrouwen, ~ hebben in (iemand/iets) vertrouwen, ~ op (iemand/iets) vertrouwen veruit vervaardigen verval vervallen (in stukken uiteenvallen van bv. een lijk) vervallen (langzaam ~ door verwaarlozing, bv. van een huis) vervangen vervelen vervelend (naar, onplezant) vervelend (saai, monotoon) verveling verven vervoer vervoeren vervolg vervormen vervuild vervuilen vervuiling vervullen (bv. een wens ~) verwaand verwaarlozen (buiten beschouwing laten) verwaarlozen (geen aandacht geven) verwachten (bv. iets ~ van...) verwachting, in ~ verwachting verwant (alleen figuurlijk) verwante verwantschap verward verwarmen (warmer doen worden) verwarming verwarren (figuurlijk in de war geraken) verwarren (letterlijk in de knoop/war geraken) verwarren (verwisselen; bv. Ik verwar hun namen altijd.) verwarring verwelken verwennen (vertroetelen) verwerken (letterlijk, bv. grondstof ~) verwerking verwerking (~ van gegevens) verwerven verwezenlijken verwijderen (op afstand brengen) verwijderen (wegdoen, bv. een tumor ~) verwijderen, zich ~ verwijt (verwijtende gedachten) verwijt (verwijtende woorden) verwijten (kwalijk nemen) verwijten (~ en het zeggen) verwittigen (even iets melden) verwittigen (informatie verstrekken) verwittigen (~ voor gevaar, waarschuwen) verwittiging (waarschuwing) verwonden verwonderen (bv. Dat verwondert mij!) verzamelen (bijeenbrengen) verzameling (collectie) verzameling (wiskundige ~) verzekering verzet (weerstand) verzetten, zich ~ (tegen iets/iemand) verziend verzinnen verzinsel verzoek verzoeken verzoenen (vrede stichten) verzorgen vest vesting vet (<-> mager) vet veter (schoen~) vettig veulen via videorecorder vier, 4 vierde, 4de vieren (bv. een verjaardag, diploma, promotie,... ~) vieren (een officiële feestdag ~) vierkant vies vijand, vijand vijf, 5 vijftien, 15 vijftig, 50 vijg vijgenboom (Lat:. ficus) vijl vijlen vijs vijver villa villen (huid afstropen) vin vinden (aantreffen) vinden (van mening zijn) vindingrijk vinger vingerhoed vink (Fringilla coelebs) violet viool (muziekinstrument) viooltje vis visceus vislijn visrestaurant vissen (hengelen) Vissen (sterreteken) visser vissoep visum visvijver vlaai (vruchtentaart) Vlaams Vlaanderen vlag vlak (plat) vlak vlakbij vlakte vlam Vlaming vlecht vleermuis vlees vleien vlek vleugel (~ van een gebouw) vleugel (~ van een vogel/vliegtuig) vlieg vliegen vliegtuig vliegveld vlier (Lat.: Sambucus) vlies vlijtig vlinder vlo vloed (hoog tij, <-> eb) vloeibaar (bv. ~e toestand) vloeien (stromen) vloeiend (bv. ~ spreken) vloeistof vloek vloeken vloer vlot (~ sprekend) vlot vlucht (ontvluchting) vlucht (van vliegtuig/vogel) vluchteling vluchten vluchtig (snel en oppervlakkig) vlug vocht vochtig vod voeden (eten geven) voeding voedzaam voeg voelen voertuig voet, te ~ voet voetbal voetballer voetganger voetpad vogel vol voldoende voldoende (bv. Hij heeft ~ gewerkt.) voldoening (bv. Ik heb veel ~ van dit werk.) volgeling volgen (achternagaan, begeleiden) volgen (zich houden aan) volgend volgens (bv. ~ hem ben ik mooi.) volgens (in overeenstemming met; bv. ~ de voorschriften) volgorde volharden (doorzetten) volk (van een land of streek) volk (veel mensen) volkslied volledig volleybal volmacht voltooid voltooien (bv. Hij heeft zijn studies voltooid.) volume volwassen vondst vonk vonnis (bv. een ~ vellen) voor (vooraleer, voordat) voor (<-> achter) voor (<-> na) voor (bv. - iemand) voor (~ tijdstip in uren, bv. tien ~ vijf) voor (~ zoveel tijd; bv. We gaan ~ een maand.) vooraan vooraanstaand vooraf (bv. ~ betalen) vooral (in het bijzonder) voorbeeld voorbeeldig voorbehoedsmiddel voorbereiden, zich ~ voorbereiding voorbij (afgelopen) voorbij voorbijgaan voorbijgaand voorbijganger voorbijsteken (inhalen en ervoor rijden/gaan/...) voordeel (<-> nadeel) voordeur voordien voordoen, zich ~ (gebeuren) voordracht voorgerecht voorhand, op ~ (bv. op ~ betalen) voorhoofd vooringenomen voorjaar voorkomen (tt.; bv. Hij komt mij bekend voor.) voorkomen (vt.; bv. Hij kwam mij bekend voor.) voorkomen (zorgen dat iets niet gebeurt, verhinderen) voorkomend, veel ~ voorlopig voormalig voormiddag voornaam voornemen (niet uitgewerkt plan) vooroordeel voorouder voorraad voorrang voorruit voorschot voorschrift (dokters~) voorschrift (regel) voorschrijven (bv. een regel, medicijn ~) voorspel voorspellen voorspelling voorspoed voorstander voorstel voorstellen (opperen) voorstellen (presenteren) voorstelling (bv. theater~) voortaan voortdoen, ~ met ... voortdurend voortplanten, zich ~ (zich vermeerderen) voortplanting (vermeerdering) voortreffelijk vooruit (<-> achteruit) vooruitgaan (vorderen) vooruitgaan (zeer traag ~) vooruitstrevend voorwaarde voorwaardelijk voorwaarts voorwerp voorwoord voorzichtig voorzien (voorspellen) voorzien, ~ van (verstrekken; bv. iemand van geld ~) voorzorg vorderen vorig vork vorm vorm (giet~, voor metaal, deeg,...) vormen (figuurlijk, bv. een regering ~) vormen (letterlijk iets vorm geven) vorming vorsen vorser vorst (koning o.i.d.) vorst (kou) vos vouw (geperste plooi in rok) vouw (geperste plooi) vouwen (plooien+persen) vraag vraag (economische ~; ~ en aanbod) vraaggesprek vraagteken (?) vracht vrachtwagen vragen vrede vredig vreemd (raar) vreemd (van ander land) vreemde (buitenlander) vreemde (eigenaardige mens) vreemde (onbekende) vreemdeling vrees vreselijk vreten vreugde vrezen (iemand/iets ~) vrezen, ~ voor ... (bv. de toekomst) vriend (<-> vijand) vriendelijk (bv. een ~ persoon) vriendelijk (bv. ~ gedrag) vriendelijkheid vriendenkring vriendin vriendschap vriezen vrij (<-> gevangen) vrijdag vrijen vrijgevig vrijgezel vrijheid vrijlaten (loslaten uit gevangenschap) vrijwel vrijwillig vrijzinnig vroedvrouw vroeg (<-> laat) vroeger vroeger (<-> later) vrolijk vrouw vrouw (echtgenote) vrouwelijk vrucht (algemeen) vrucht (fruit) vruchtbaar vuil (<-> proper) vuil (vuilnis) vuilbak vuilnis vuilnisbak vuilnisbelt vuist vullen vulling (bv. inkt~) vulling (tand~) vulpen vurig vuur vuurtoren vuurwerk waaien waaier waakzaam waan waanbeeld waanzin waanzinnig waar (<-> onwaar) waar waar, van ~ waar, ~ naartoe waaraan waarborg waard, ~ zijn waarde waardeloos waarderen waardevol waardig waardigheid waarheen waarheid waarlijk waarmee waarnemen waarnemen (gadeslaan) waarom waarop (bv. Hij is iemand ~ je kunt rekenen.) waarover waarschijnlijk waarschuwen waarschuwing waaruit waas wablieft? wacht wachten wachtkamer wachtwoord wafel wagen wagen (auto) wagen (grote kar) wagon waken wakker wakker, ~ maken wal (bv. stads~) walgelijk walgen walrus wals (dans) wals (tuig om te walsen, plet~) walvis wandelen wandeling wang wanhoop wanhopen wanhopig wanneer wanneer, sinds ~ wanneer, tot ~ wanneer (als) wanorde want wantrouwen (<-> vertrouwen, iemand/iets ~) wantrouwen (<-> vertrouwen) wapen (vechttuig) wapen (~ op een schild) wapenstilstand wapperen (~ van een vlag) waren warhoofd (verward persoon) warm (<-> koud) warmte (<-> kou) was (bijen~) was (vuile kleren) wasdroger washandje wasknijper wasmachine wasplaats waspoeder wassen (groeien) wassen (reinigen) wassen, het gezicht ~ wastafel wat (welk) wat, met ~ wat (bv. Wil je ~ eieren kopen?) wat, bv.: ~ is dat? wat (bv.: Je bent ~ je eet.) wat (katoenen pluche) wat voor een water water, plat ~ (niet bruisend ~) wateren waterkant waterleiding waterlelie Waterman (sterreteken) watermeloen watermolen waterpas waterpolo waterput waterskieën waterstand waterstof (H) waterval watervogel wattenstokje (om oren te kuisen) wazig WC we webpagina website webstek wedden wederzijds wedstrijd (competitie) weduwe weduwnaar weefsel (biologisch ~) weefsel (textiel) weegschaal Weegschaal (sterreteken) week (slap) week weekblad weekdier weekeinde weelde weer weeral weerkaatsen weerkaatsing weerkunde weerstaan (bv. aan een verleiding ~) weerstand (elektrische component) weerstand (elektrische ~, R=U/I) weerstand (verzet) weerstand, ~ bieden (aan iets/iemand) weersvoorspelling wees (~kind) weg (afwezig) weg wegen (gewicht bepalen) wegen (gewicht hebben; bv. Ik weeg 70kg.) wegens weggaan (ergens naartoe gaan) weggaan weggooien weglopen wegsmijten wegwijzer wei weide weigeren weinig weinig (raar of zelden) weinig weinigen wekelijks wekken wekker wel (<-> niet) wel (goed) wel (nou) weliswaar welke (Bv. ~ auto is dat?) welkom! wellust wellustig welopgevoed (goedgemanierd) welvaart welzijn wenen wenkbrouw wenken wennen wens wensen wereld werf werk (baan) werk (karwei, opdracht, taak, daad) werk (oeuvre, verwezenlijking; bv. Het ~ van Picasso) werkelijk werkelijkheid werken werkgever werking werkloos (niet tewerkgesteld) werkloos (niets te doen hebbend, bv. technisch ~) werkloze werknemer werkonderbreking (staking) werkplaats werktuig werkvergunning werkwijze werkwoord wervelstorm werven (bv. leden ~, steun ~,...) wesp westelijk westen (<-> oosten) wet weten weten, ~ te ... wetenschap (kennis) wetenschapper wettelijk wettig weven wezen (kern) wezen (levend ~) wezenlijk whisky wie (aan ~ / tegen ~) wie (bv. ~ bent u?) wie (bv. ~ zie je?) wieg wiel wiens wier wierook (echte ~ van kerk) wierookstokje wig wij wijk wijken (opzij/uit de weg gaan) wijn wijngaard wijs wijsvinger wijze wijze (wijs persoon) wijzen (iemand op iets ~) wijzen, ~ naar wijzer wijzigen wijziging wikkelen wil wild (<-> tam) wild wildernis wilg (Salix) willekeurig willen wilsbeschikking wilskracht wimper wind (luchtverplaatsing; bv. de ~ waait) wind (scheet) windhoos winkel winkelier winnaar winnen (winst maken) (op iets) winnen (zegevieren) winst (bv. ~ met loterij) winst (~ op verkoop, intrest,...) winstgevend winter wippen wipplank wiskunde wiskundige wispelturig wisselen wisselgeld wisselkantoor wisselstroom wisselvallig wit woede woedend (zeer kwaad) woensdag woest (verlaten, desolaat) woest (zeer kwaad) woestijn wok wol wolf wolk wonde (wond) wonder wonderlijk wonen woning woonkamer woonplaats woord woordenboek (eentalig ~) woordenboek (vertaal~) worden (hulpww.passief; bv. Hij wordt gestraft.) worden (voortkomen uit) worm (aard~) worm (zogenaamde ~, made, bv. in appel) worst worstelen wortel (algemeen: ~ van een plant) wortel (groente) woud wraak wrak wrang wrat wreed (wreedaardig) wreed (bv. ~ schoon) wrevel wrijven wrok (bv. ~ koesteren) wuiven (zwaaien) wurgen yoghurt zaad (van plant) zaadbal zaadje zaadlozing zaag zaaien zaak (ding) zaak (handels~) zaak (rechts~) zaal zaal (grote ~) zacht (<-> hard; mals; bv. een ~ kussen, ~e biefstuk) zacht (~ aanvoelend; bv. ~e handen) zacht (~ van karakter) zachtaardig zagen (bv. planken ~) zagen (zaniken; bv. ~ voor een snoepje) zagen (zaniken; vervelend spreken) zak (bv. broek~) zak (bv. juten patatten~) zak (bv. plastieken ~) zak (reiszak) zakdoek zakelijk zaken doen zakenman zakgeld zakken (niet slagen) zakken (van hoog naar laag gaan) zakken, ~ in/door zaklamp zakmes zalf zalig zalm zand zandsteen zanger zangeres zaniken (bv. ~ voor een snoepje) zaniken (vervelend spreken) zat zaterdag zatlap ze zebrapad (oversteekplaats) zee zeeëgel zeef zeehond zeeleeuw zeemacht zeeman (matroos) zeemeermin zeep zeer zeer (heel) zeer zeerover zege (overwinning) zegel zegen zegevieren zeggen zeiken zeil zeilboot zeilen zeis zeker zeker (zonder twijfel) zekerheid zekering zelden zeldzaam zelf zelfbedieningszaak zelfbevrediging zelfbewust zelfmoord zelfs zelfstandig zelfstandig, ~ zijn zelfvertrouwen zelfzuchtig zenden (sturen) zender (<-> ontvanger) zenuw zenuwachtig (~ van aard) zenuwachtig (~ voor iets specifieks) zerk zes, 6 zestien, 16 zestig, 60 zetel (bv. in parlement) zetel (zacht ding om op te zitten) zetten (bv. iets op tafel ~) zetten (bv. koffie/thee/... ~) zetten, zich ~ zeug (vrouwelijk varken) zeuren (flauw doen) zeven, 7 zeven zeventien, 17 zeventig, 70 zever (figuurlijk: gezwets) zever (letterl.: vloeistof uit mond) zich (bv. Hij wast ~/Zij wassen ~.) zicht (gezichtsvermogen) zicht (uitzicht) zichtbaar (<-> onzichtbaar) zichtbaarheid zichzelf (bv. Hij ziet / Zij zien ~ in de spiegel.) ziehier ziek ziek, ~ worden ziekenhuis ziekenwagen ziekte ziel zielig zien zigeuner zij zijde (heup; bv. Het kind stond aan haar ~) zijde (kant) zijde (textiel) zijden zijn (bezittelijk en beklemtoond) zijn (~ eigen, bezittelijk en onbeklemtoond) zijn (alles behalve tegenwoordige tijd) zijn (tegenwoordige tijd) zilver (Ag) zilverpapier zin (nut) zin (reeks woorden) zin (van richting; elke riching heeft 2 zinnen) zin (~ hebben in) zingen zink (Zn) zinkbewerker (stielman voor dakgoten enz.) zinken (<-> drijven) zinloos zinnebeeld zintuig zirkoon zitten zitten, gaan ~ zitvlak zo (op deze wijze) zo (zodanig) zoals zodat zodra zoeken zoen zoenen zoet zogen (borstvoeding geven) zogenaamd zoiets zojuist zolang (bv. ~ hij zwijgt, is het goed.) zolder zomer zon, in de ~ zitten zon zondaar zondag zonde (moreel foute actie) zonde (verspilling,...; bv. ~ dat je niet meedoet!) zonder (<-> met) zondigen zone zonet zonnebaden zonnebloem zonnebril zonnen zonnesteek zonnestelsel zonnig zoogdier zool (~ van schoen) zool (~ van voet) zoom zoon zorg, ~ dragen (voor) zorg zorgeloos zorgen, ervoor ~ dat zorgen, ~ voor (bezig zijn met) zorgen, ~ voor (opkweken) zorgvuldig zorgzaam zot (dwaas) zout zoveel zowel, ~ ... als ... zucht zuchten zuidelijk zuiden (<-> noorden) zuigeling zuigen zuinig (karig) zuipen zuiver (net, proper) zuiver (puur) zulk (bv. ~e bloemen zijn duur.) zullen (tegenwoordige tijd) zullen (verleden tijd; bv. Ik zou komen.) zus zuster zuster (klooster~) zuur zuurkool zuurstof (O) zwaan zwaar (<-> licht) zwaard zwaarlijvig zwaarmoedig zwaarmoedigheid zwaartepunt zwager (broer van mijn vrouw) zwager (echtgenoten van 2 zussen) zwager (man van mijn zus) zwak (<-> sterk) zwaluw zwam (verzamelnaam van alles dat sporen heeft) zwanger zwangerschap zwanzen zwart zwarte zwartgallig zwavel (solfer, S) Zweden zweep zweer (inwendige ~, bv. maag~) zweer (uitwendige ~) zweet (transpiratie) zwellen (bv. een buil krijgen) zwellen (bv. kaken van een kikker, buik,...) zwembad zwembroek zwemmen zwemvest zweren zwerm (~ bijen) zwerm (~ vogels) zwerver zweten zweven zwijgen zwijgzaam zwijn Zwitserland