ÿþaaibaar (lief, schattig) aaien aal aalbes aalmoes aambeien aan (<-> uit) (aangestoken, bv.stoof) aan (<-> uit,af) (aangeschakeld, bv.TV) aan (~ iemand iets geven,...) aan (bij,..., bv. Ik ben ~ zee.) aan (bv. ~ geld komen) aan (bv. ~ tafel zitten) aan (van; bv. ~ kanker sterven) aanbidden aanbidder (bewonderaar) aanbieden (aanreiken; bv. hulp/een kans ~) aanbieden (geven; bv. koffie ~) aanbod (als in: vraag en ~) aanbranden aandacht (~ voor bv. gevaar) aandacht (liefdevolle ~) aandachtig (attent) aandachtig (waakzaam, oplettend) aandeel (~ in een bedrijf) aandeel (bijdrage) aandeelhouder aandenken aandoen (dragen; bv. een kostuum ~) aandoen (iemand iets ~) aandrijving (bv. straal~) aandringen aanduiden (markeren) aaneengroeien (bv. van een wonde, beenbreuk,...) aaneenknopen aangaan (aanbelangen, betreffen) aangeboren aangenaam (bv. een ~e atmosfeer) aangenaam (gemakkelijk in het gebruik, zonder problemen) aangenaam (gezellig; bv. een ~ verblijf) aangenaam (plezant, leuk om [bij zich] te hebben) aangeven (aanmelden, bv. iets ~ bij politie) aangezien aangrijpen aangrijpend aangroei (bv. ~ van de bevolking) aangroeien aanhanger (bv. ~ van een theorie, overtuiging) aanhangwagen aanhouden (arresteren) aankijken (een blik werpen op) aanklacht aanklagen aankomen (~ aan iets; iets aanraken) aankomen (arriveren) aankomst aankondigen (bv. een huwelijk ~) aankondiging aankoop (<-> verkoop) aankoop (algemeen iets dat gekocht wordt) aanleg (bv. de ~ van een weg) aanleg (talent) aanleggen (bv. een weg ~) aanleiding, naar ~ van aanleiding aanloop aanmoedigen aannemen (aanvaarden) aannemen (adopteren) aannemen (in dienst nemen) aannemen (veronderstellen) aannemer aanpak aanpakken (behandelen) aanpassen (afregelen) aanpassen, zich ~ (aan) aanraden aanraken (bv. iets per ongeluk ~, een thema ~) aanraken (emotioneel geladen ~) aanraking, in ~ / contact komen aanraking (contact) aanreiken (bv. het zout ~) aanrichten aanschaffen aanslag (bv. moord~) aanslag, belastings~ (schatting) aansluiten aansluiting (bv. telefoon~) aansteken (bv. een vuur ~) aansteker (voor vuur) aanstellen, zich ~ aantal aantonen (bewijzen) aantreffen (vinden) aantrekkelijk (bekoorlijk) aantrekken (aanlokken, bekoren) aantrekken (dragen) aantrekken, zich (iets) ~ van aantrekken, zich niets ~ van aanvaarden aanval aanvallen aanvang aanvangen aanvankelijk aanvoerder aanvoeren (leiden) aanvullen aanwezig (<-> afwezig) aanwijzen aanwijzing aanzetten (bv. een toestel ~) aanzien (bv. Hij is een man van ~.) aanzienlijk aap aard aardappel aardbei aardbeving aarde (het materiaal ~, grond) aarde (planeet) aardig aardolie aardrijkskunde aardrijkskundige aarzelen aas (om vis te vangen) aas (van kaartspel) abdij abnormaal abonnee abonnement abortus abrikoos absoluut (<-> relatief) absoluut (in het geheel, helemaal) abstract (<-> concreet) abuis acacia (pseudo-) academie academisch accent (bv. een vreemd ~ hebben) accent (bv. het ~ leggen op iets) accepteren accident accijns accordeon accountant accu achillespees acht (8) acht, Geef ~! acht (een ~ op het rapport; lijn ~ van tram/bus) achten (bv. iets nutteloos / noodzakelijk ~) achten (respecteren) achter achteraan (van achter) achteraf achteraf (bv. ~ betalen) achterblijven achterdeur achterdochtig achtereen achtergrond (figuurlijk) achtergrond (letterlijk) achterhoofd achterkant achterkleinzoon achterlijk achternaam achterst (<-> voorst) achterstand, ~ hebben achteruit (<-> vooruit) achteruitgaan achteruitkijkspiegel achtervoegsel achterwaarts achterwerk achting achtste (de ~) achttien (18) acteren acteur actie actief (<-> passief) activiteit actrice actueel acuut (<-> chronisch) adder adel adelaar adellijk adelstand adem adem, stinkende ~ ademen ademhaling adept ader adjectief administratie adolescent adopteren adres adresboek adresseren Adriatische Zee advertentie advies adviseren advokaat af (<-> aan) af (afgewerkt, klaar) af (<-> op; bv. ~ de tafel springen) af en toe afbeelding afbeulen, zich ~ afbieden afbranden (bv. Hun huis is afgebrand.) afbreken (ergens een stuk ~) afbreken (kapotmaken) afdaling (<-> beklimming) afdanken afdeling afdingen afdruk (spoor, bv. vinger~) afdrukken afgekeurd, ~ worden (technisch) afgelegen (ver van alles, verstopt) afgelegen (ver verwijderd) afgelopen (voorbije) afgevaardigde afgrond afgunst afhakken afhalen (~ / opnemen van geld) afhalen, het ~ van baar geld (bv. uit automaat) afhangen (~ van iets/iemand) afhankelijk afkappen afkeer (weerzin) afkeuren (<-> goedkeuren) afkoelen (kouder maken) afkoelen (kouder worden) afkomst afkondigen afkorting afleggen, bv. een examen ~ afleiden (deduceren; logisch ~) aflevering afloop (~ van een verhaal,...) afloop (van een waterleiding,...) aflopen (eindigen) afmeting (grootte) afnemen (in beslag nemen; rechtvaardig ~) afnemen (stelen) afpakken (gewelddadig ~, beroven) afprijzing africhten Afrika Afrikaan afrit (~ van autosnelweg) afschaffen afscheid, ~ nemen van... afscheid afschrikken afschrikwekkend afschuw afschuwelijk afslaan (bv. naar rechts ~) afsluiting (bv. hek, haag, afspanning,...) afsluiting (einde, bv. ~ van een festival/jaar/...) afsnijden afspelen, zich ~ afspraak (~ voor een ontmoeting) afspraak (overeenkomst) afspreken afstaan afstammeling afstand (aantal meter tussen 2 punten) afstand (minimum ~; bv. Je moet op een ~ blijven.) afstandsbediening afstotelijk afstuderen aftakelen aftrekken (bv. 10-3=7) aftrekker (flessenopener) afval (resten, overschot) afval (vuilnis) afvegen (bv. stof ~) afvoerputje afvragen, zich ~ afwas, de ~ doen afwasmachine afwasmiddel afwassen afwerken (voltooien) afwezig afwezigheid (verlof) afwijking (onregelmatigheid) afwijking (van plan) afwijking (van rechte weg) afwisseling afzagen afzender afzetten (amputeren) afzetten (bv. een hoed ~) afzetten (iemand/iets ergens ~) afzetten (uitzetten, bv. de TV ~) afzien (lijden) afzonderen afzonderen, zich ~ afzonderlijk agaat agenda (~ van bv. een vergadering, dagorde,...) agenda (boekje) agent (politie~) agent (van agentschap) agentschap agressie agressief ajuin ajvar (paprikasmos) akker akkoord, ~ gaan (met iemand/iets) akkoord (muzikaal ~) akkoord (overeenkomst) akte al (reeds) al de (bv. ~ mosterd) Albanees (officieel) Albanees (smalend, ~ van Kosovo of Macedonië) Albanië alcohol algebra algemeen algoritme alhoewel alibi alimentatie alle (bv. ~ mensen) alleen alleen (~ maar, uitsluitend) alleenstaande (vrijgezel) alleenzijn allemaal (bv. Dat moet ~ weg.) allen (bv. ~ komen.) allergie Allerheiligen allerlei Allerzielen alles (bv. ~ is klaar) allesbehalve alleszins allez! allusie almachtig almanak Alpen alpinist als (indien) als (voorwaardelijke wijs; ~ ... dan zou ...) als (zoals) alsof (bv. Het lijkt ~ hij dood is.) alsof, doen ~ alstublieft (verzoek) alstublieft (aanbod) altaar althans altijd altijd, voor ~ altijdgroen (geen bladeren verliezend in winter) aluminium (Al) aluminiumfolie alvorens alweer amandel (orgaan) amandel (vrucht) amateur ambacht ambassade ambassadeur ambetanterik ambitie ambitieus ambtenaar (staatsbediende) ambulance Amerika Amerikaan Amerikaans amfibie ammoniak amnestie amper amplitude amputeren amusant amusement amuseren analfabeet analfabetisme analoog (<-> digitaal) analoog (gelijkaardig) analyse analyseren ananas anatomie ander (verschillend) anderen anderhalf (1,5) andermans anders (verschillend; bv. Die jongen is een beetje ~.) anders (bv. Ik moet eten, ~ ga ik dood.) anders (op een andere manier) andersom anderzijds (van de andere kant) andijvie (Cichorium endivia) angel (steekorgaan van insect) angst angstig (~ van aard) angstig (bevreesd voor iets) anijs animatiefilm anjer anker annuleren anoniem anorak anorganisch ansjovis (Engraulis encrasicolus) Antarctica antenne antiek antimoon (Sb) antipathie antipathiek antiquair antropologie antropoloog antwoord antwoordapparaat antwoorden (~ op) anus apart apathisch apenoot aperitief apostel apotheek apotheker (~ die werkt in apotheek) apotheker (iemand met diploma farmacie) apparaat appartement appel appelmoes appelsien appelspijs appetijt applaudisseren applaus appreciëren april aquarel aquarium Arabië arbeid arbeiden arbeider archeologie archeologisch archeoloog archief architect architectuur arend argwaan aria arm (<->rijk) arm armband armoede armoede (zware ~; <-> rijkdom) arrestatie arresteren arrogant arseen (arsenicum, As) artiest (kunstenaar) artificieel artikel (geschreven ~) arts as (resten van verbranding) as (spil) asbak asbest asfalt asfalteren asiel (bv. ~ aanvragen) asperge aspic aspirine Assepoester assistent assistente astma astrologie astroloog astronomie astronoom atelier atheïst Atlantische Oceaan atlas atleet atletiek atmosfeer (dampkring) atmosfeer (stemming) atoom aubergine augurk augustus Australië auteur auteursrecht auto autobus automaat automatisch automechanieker automobilist autonomie autoriteit autosnelweg autostoppen autostrade aversie avond, 's ~s avond avondeten avondmaal avontuur avontuurlijk Azië azijn baai baan (~ van een planeet/projectiel/...) baan (rijweg) baan (werk) baard baarmoeder baars baas baas (in huis) baat babbelen baby bacterie bacteriologisch bad (~kuip) baden badjas badkamer badkostuum badmuts badpak badplaats (strand, vijver, rivier,...) badplaats, ~ met warme minerale bron bagage bak bakken (in een pan met beetje vetstof) bakken (in oven, bv. brood ~) bakken (in veel vet/olie, bv. frieten ~) bakker bakkerij baklava (soort gebak) baksteen bakvorm (grote blikken ~) bakvorm (voor kleine gebakjes, of met speciale vorm) bal (feest) bal (rond voorwerp) balans (evenwicht) balans (weeginstrument) balk (meetkundige vorm) balk (steun~) balkon ballerina ballet ballon balpen bamboe banaal banaan band (~ tussen mensen) band (muziekgroep) band (van auto) bandiet bang (~ van aard) bang (bevreesd voor iets) bang, - zijn voor/van bang, ~ zijn bank (financiële instelling) bank (sofa) bank (zit~) bankbiljet banket banketbakker bankier bankroet, ~ gaan bar barbaar barbaars barbier bareel baren (een kind ~) barman barmhartig barometer barrevoets barst barsten (bv. van een tomaat, muur,...) basalt base (<-> zuur) basilicum basiliek basis (bv. militaire ~) basis (grondslag, fundament) basketbal basketspeler bataljon batterij bed bedanken bedaren bedeesd bedekken bedelaar bedelen bedenken bederven (oververwennen) bediende bedienen (bv. een toestel ~) bedienen (iemand ~) bedoelen bedoeling (intentie; bv. met goede ~) bedoeling (opzet; bv. ~ van een tekst) bedrag bedragen bedreigen bedriegen (herhaaldelijk iemand ~, overspel plegen) bedriegen (iemand ~, overspel plegen, 1x ~) bedriegen (met geld ~) bedrieger bedrijf (~ van een toneelstuk) bedrijf (fabriek, firma, zaak,...) bedrijven (bv. een misdaad ~) bedrijven, de liefde ~ bedrinken, zich ~ bedroefd bedrog (illusie) bedrog (leugenachtige aktiviteit) bedrukt (depressief) bedwelmen bedwingen (onder controle houden) beek beeld (fig.; bv. een ~ hebben van iets) beeld (skulptuur) beeldhouwer beeldhouwwerk beeldscherm been (knook) been (lidmaat) beenhouwer beenhouwerij beer beer (mannelijk varken) beest beet beetje, een ~ (een weinig) befaamd begaafd begeerte begeleiden begeleiding (bv. piano~) begeren (verlangen naar) begeven, zich ~ (op) begin, in het ~ begin, van in het ~ (van de eerste keer) begin beginnen beginner beginsel (principe) begonia begooien (iets/iemand ~ met iets) begraafplaats begrafenis begraven begrenzen begrijpelijk begrijpen begrip (~ hebben voor iets/iemand) begrip (concept, notie) beha behaaglijk behalve behandelen (~ voor een ziekte,...) behandelen (een voorwerp ~, bv.: voorzichtig ~!) behandelen (omgaan met; bv. krijgsgevangenen ~) behandeling (medische ~, schoonheids~,...) behandeling (omgang; bv. ~ van krijgsgevangenen) behang (~papier) behangen beheer beheerder beheersen (bv. kennis ~) beheren behoeden (iemand ~ voor iets) behoedzaam behoefte (~ hebben aan iets) behoorlijk (bv. een ~ resultaat) behoorlijk (bv. Hij was ~ goed.) behoren, ~ tot (een groep) behoren, ~ tot (vallen onder; bv. Rusland hoort bij Europa) behulp, met ~ van (m.b.v.) behulpzaam (nuttig) beide beige beïnvloeden beitel bejaarde bek bekend bekendmaking bekennen (bv. schuld ~) beker (plastieken drink~) beker (sportprijs) bekeren bekijken (bv. een film ~) bekijken (intens ~, aanstaren) bekijken (vluchtig rondkijken, bv. een stad ~) bekken beklaagde bekleden (bedekken) bekleding (bv. muur~, vloer~) beklimming (<-> afdaling) bekommeren, zich ~ om (iets/iemand) bekoorlijk bekoren bekoring bekrompen bekwaam bel (blaasje van lucht, zeep,...) bel (geluid makend voorwerp) belachelijk belachelijk, iemand ~ maken beladen (bv. een vrachtwagen ~ met waren) belang belangrijk belangstelling belasting belastingbetaler beledigen belediging beleefd beleefdheid beleg (brood~ dat kan gesmeerd worden) beleggen beleid (bv. ~ van een firma, ~ van een regering) beleven Belg België Belgische Belgrado bellen (aanbellen aan de deur) bellen (opbellen, telefoneren) belofte beloning (voor arbeid) beloven bemachtigen bemesten beminnen benaderen (iemand ~ voor iets) benadering, bij ~ benadrukken bende beneden beneden, naar ~ (naar een lagere positie) beneden, naar ~ (volledig) benieuwd benijden (iemand ~ om iets) benoemen (bv. iemand tot voorzitter ~) benutten (gebruiken) benzine benzinestation beogen bepaald bepalen (vastleggen) beperken beperking bereid bereiden bereidwillig (gewillig) bereik bereiken (bv. De dollar bereikte zijn laagste koers.) bereiken (bv. een doel ~) berg bergachtig bergbeklimmer bergkristal bericht bericht (nieuws~) berk beroemd beroep beroerte berouw, ~ hebben berouw berucht bes bes, rode ~ beschaafd beschaamd (bv. Ik heb in mijn broek gepist, ik ben ~.) beschadigen beschaven beschaving bescheiden beschermen beschermer (patroon) bescherming (hoede) beschieten beschikbaar beschikken, ~ over (bv. Ik beschik over 1 miljoen.) beschimmeld beschouwen beschouwen, ~ als beschrijven beschrijving beschuit beschuldigde beschuldigen beschuldiging (aanklacht) beseffen beslissen (~ over iets/iemand) beslissen (een beslissing nemen) beslissing beslist besluit besluiten (iets ~ uit iets) besmettelijk besmetten besnijden besparen (bv. energie ~) bespotten, iemand ~ bespreken (iets ~) bespreking besproeien best best, zijn ~ doen bestaan bestaan, ~ uit bestand (computer~, file) bestanddeel besteden bestek (om te eten) bestellen (een bestelling plaatsen) bestelling bestelwagen bestemming bestendig bestuderen besturen (beheren, bv. een bedrijf ~) besturen (bv. een land ~) besturen (van voertuig) bestuur bestuurder (van een voertuig) betaalkaart betalen betaling (af~) betaling (vergoeding) betekenen (willen zeggen) betekenis (significantie, belang) betekenis (uitleg, bedoeling) betekenisvol beter betogen (meedoen in een betoging) beton betonmolen betovering betrappen (op heterdaad ~) betreffen betrekkelijk betrekking (werk) betrouwbaar betrouwen (iemand/iets ~) betuigen, eer ~ (aan...) betweter beuk beul beurs (geldzakje) beurs (handels~) beurs (studie~) beurt, aan de ~ beurt, om de ~ beurt (bv. Het is jouw ~.) bevallen (~ van een kind) bevallen (behagen; bv. De wijn bevalt mij.) bevalling bevallingsverlof bevatten (inhouden) bevel bevelen bevelhebber beven (bv. De aarde beeft.) bever bevestigen (confirmeren) bevestigen (vastmaken, vastplakken,...) bevestiging (confirmatie) bevinden, zich ~ bevinding bevloeien bevoegd bevoegdheid bevolking bevooroordeeld bevredigen (iemands lust ~) bevrediging bevriezen ("verstijven" van de kou) bevriezen (ijs worden) bevrijden bevrijden, zich ~ van bevrijding bevruchten bevruchting bewaken bewaker bewaren bewaren (preserveren; bv. gegevens ~) beweegreden bewegen (doen ~; bv. Hij beweegt zijn arm.) bewegen (een beetje ~) bewegen (sporten, dansen,...) beweging (bv. een gracieuze ~) beweging (vereniging, stroming, bv. sociale ~) beweren bewering bewerken bewerking bewerking, rekenkundige ~ bewijs bewijs, ~ van goed gedrag en zeden bewijzen bewijzen, iemand een dienst ~ bewolkt bewonderen (sterk ~, bijna verafgoden) bewondering bewoner bewust (doel~) bewustzijn bezem bezet (bv. Het WC is ~.) bezeten bezetten bezetting (overheersing) bezienswaardigheid bezig bezigen bezinksel bezit, in het ~ zijn van bezit bezitten bezitter bezitting bezoek bezoeken bezoeker bezorgd (ongerust) bezorgd, ~ zijn over bezorgen bibberen (beven van de kou) bibliotheek bidden biechten bieden biefstuk bier bierglas (groot ~ met handvat) bieslook biet (rode ~, kroot; Beta vulgaris ruba) big (jong varken) bij, ~ zich bij (bv. Ik woon ~ mijn moeder.) bij (dicht ~; bv. Ik woon ~ de zee.) bij (met, naast, tegen) bij (insect) bijbel bijdetijds bijdrage bijgeloof bijgelovig bijkans bijkomen (op krachten komen) bijkomend bijl bijlage (~ bij een brief/bericht/gerecht/...) bijna (~ en gauw) bijna (juist niet) bijna, ~ altijd bijnaam bijten (agressief ~) bijten (bv. ~ met een zuur) bijten (met tanden op eten ~, kauwen) bijval bijvoegen bijvoorbeeld (bv.) bijwoord bijziend bijzonder bikini bikkelhard bil biljart binair binden (vast~, bv. veters ~) binnen (<-> buiten) binnen (bv. ~ 5 dagen) binnenband binnenbrengen (bv. een patiënt ~) binnenkant binnenkomen binnenkort binnenstebuiten biografie biologie bioloog bioskoop bisschop (katholieke ~) bisschop (orthodokse ~) bitter blaar blaas (urine~) blaasbalg blad (papier) blad (van plant) bladerdeeg bladzijde blaffen blanke blauw blauw (diep~ van ~e plekken of zee) blauwachtig blazen bleek blij (gelukkig) blijdschap blijkbaar blijken blijspel blijven (ergens ~, achter~) blijven, ~ + inf. blik (~ van ogen) blik (drank~) blik (materiaal) bliksem blind blinde blinken blinkend, <-> mat bloed bloeddruk bloeden bloedsomloop bloedworst bloedwraak bloedzuiger bloei bloeien bloem (deel van plant) bloem (meel) bloemist bloemkool bloempot bloemsuiker bloes bloesem blok (hout~, stuk stam) blok (hout~je) blok (kubusvormig ~; bv. ~ hout/steen) blokkeren blond (~ van haar) blond (bierkleur) bloot blootsvoets blos (gezonde ~) blozen (~ van een inspanning, van gezondheid) blozen (rood worden van schaamte) blozend bluffen blussen bluts bobijn (in motor) bobijn (van garen/draad) bocht bode bodem (~ van een pot, zee, zwembad,...) bodem (grond) boeddhist boef boei (hand~) boeien (figuurlijk) boeien (in de boeien slaan) boeiend boek boeken (in boekhouding) boeken (reserveren; bv. een reis ~) boekenrek boekentas boeket boekhandel boekhouder boekhouding boekweit boer (~ van kaartspel) boer (dorpeling) boer (landbouwer) boerderij boerenkool boerin (dorpelinge) boete (geld~) boeten boetiek boetseren bohemer bok bokaal (voor confituur enz.) boksen bol bol, ~ kaas bom bomaanslag bombardement bon (bv. kortings~, cadeau~) bonbon bond (verbond) bondgenoot bont (kleurrijk) bont bontmuts boodschap (bericht) boodschap (inkoop) boog (~ om mee te schieten) boog (~ van een gebouw) boogbrug, stenen ~ boogschutter Boogschutter (sterreteken) boom boomgaard boon (bruine ~) boon (princesse~) boor boord, aan ~ boormachine boos boosaardig boosaardigheid boot (> schuit, < schip) boot (klein ~je) bora (bepaalde koude landwind aan de Adriatische zee) bord (om op te schrijven) bord (om uit te eten) bord (plakkaat,...) bord, verkeers~ bordeel boren borst (algemeen) borst (vrouwelijke ~) borstel (haar~) borstel (om te kuisen) borstel (verf~) bos (~ bloemen) bos (ongevaarlijk ~) bos (op heuvels of bergen) bos (woud) bosbes bosbrand Bosnië Bosniër Bosnisch Bosnische (~ vrouw) bot (~ van gedrag) bot (<->scherp) bot bot (been) boter boterbloem (grote ~, Ranunculus lingua) boterham botsing bottine (bergschoen) bougie bouillon boulevard bout (cilindervormige vijs) bout (vlees) bouwen bouwgrond bouwkunst bouwwerk boven (~ iets; bv. ~ de foto hangt een kruis.) boven (bovenaan, naar ~) boven (bovenop) boven, naar ~ gaan bovendien bovenkant bovenste boycot braaf (rechtschapen, deugdzaam) brabbelen braden (in een pan met beetje vetstof) braden (op een rooster/aan een spit) braken brancard brand brandblusapparaat (brandblusser) branden branden (bv. koffie ~) branden (een cd, dvd,... ~) brandewijn brandkast brandnetel brandstapel brandstof brandweer brandweerman brandwond breed (<-> smal) breedte breedte (geografische ~) breekbaar breien brein breken (bv. een been ~) breken (kapotgaan) breken (kapotmaken, in stukken slaan) breken (kapotmaken, in stukken trekken) breken (kapotslaan, bv. glas ~) breken, zijn hoofd ~ (over...) brengen (dragen) brengen (naar hier ~) brengen (weg~) breuk (barst) breuk (geologische ~, afgrond) breuk (getalverhouding, bv. 2/3) brief briefkaart briefomslag brievenbus bril (om te kijken) bril (WC-~) briljant (bv. een ~ idee) briljant (slijpvorm van diamant) broche brochure broeden broek broer brok brommer bron brons brood broodje (belegd ~) broos (bros; <-> taai) brouwen (bier ~) brouwerij brug bruid bruidegom bruidsschat bruikbaar bruikbaarheid bruiloft bruin bruinachtig bruinkool brullen Brussel brutaal bruto bruut (brutaal persoon) BTW (Belasting op de Toegevoegde Waarde) budget buffel buffet bui (regen~) buigen (ver~) buigen (voorover~) buigen (zeer nederig ~ als groet) buigzaam buik buikloop buil buis buiten (in de open lucht) buiten (zonder, behalve,..., bv. ~ de wet) buiten, naar ~ (eruit) buiten, op de ~ buiten buiten, naar ~ gaan buitenband buitenechtelijk buitengewoon (excellent) buitengewoon (niet zoals gewoonlijk; bv. een ~e situatie) buitenkant buitenland buitenlander buitenlands buizen (niet slagen op bv. examen) bukken, zich ~ Bulgarije bulldozer bumper bunker burcht bureau bureel burek burgemeester burger burgerlijk bus (autobus) bus (brievenbus) bushalte buskruit bussel (bv. ~ groenten) busstation buurman buurt buurtcentrum buurvrouw buxus (Buxus sempervirens) byte (8 bits) cabaret cabine cacao cactus cadeau café (simpel ~) café (taverne) caffeïne cake calibreren camera (film~) camera, verborgen ~ camionette camouflage camoufleren camping canyon (brede kloof) capaciteit capaciteit (C; elektrische ~ van een condensator) capitulatie cappucino caravan carbonnade carnaval carosserie carrière carrosier cassette cassetterecorder castreren catalogus catastrofe categorie cavia (Cavia porcellus) CD CD-speler ceder (Lat.: cedrus) ceintuur cel (~ in gevangenis) cel (~ van een levend wezen) celibaat cello cement censuur cent centimeter centraal centrale (bv. elektrische ~) centrum ceremonie champignon chantage chanteren chaos charmant charmeren chauffeur chef (~ kok) chef (baas) chemicus chemie chemisch cheque chips chirurg chloor (Cl) choco chocolade cholera christelijk christen christendom Christus chronisch chroom (Cr) cider cijfer cilinder cinema cipier cirkel cirkelzaag citaat citeren citroen civiel civilisatie claxon claxonneren clerus cliënt climax clochard clown club code cognac collectie collega coma combinatie comfort comfortabel commandant commentaar commisaris commissie, op ~ werken communicatie communiceren communie communisme communist communistisch compact compassie compatibel compileren compleet complex (ingewikkeld) complex (samengesteld, bv. een ~ getal) complex compliment complot componeren componist compositie compost compromis computer concentratie concentratievermogen concentreren concept concert conclusie concreet (<-> abstract) concurrent concurrentie condensator conditie (staat, toestand) conditie (voorwaarde) condoom conferentie confidentieel confirmeren confituur conflict confronteren conglomeraat congres conifeer (~ zonder naalden) conifeer (orde van bomen: dennen, ceders,...) consequent consequentie conservatief (<-> progressief) constateren constitutie construeren consul consulaat consultatie consument consumeren consumptie (in een café, restaurant,...) consumptie (verbruik) contact contacteren (even bellen, een berichtje sturen) container contemplatief content continent continu contrabas contract contradictie contrast controle controleren (nakijken) controleren (onder controle houden) controleur conventioneel conversie coördinaat correct correlatie correspondent corrigeren corrupt (immoreel, bedorven) corruptie cosinus courgette creatief creëren crematie crematorium cremeren crimineel crisis criterium cruise cultureel cultuur curieus curry (specerij) cursief cursus curve cyclus cynisch Cyprus cyrillisch (~ schrift) daad (bv. een goede ~) daar daarbij, ~ ook daardoor daarenboven daarheen daarmee daarna daarnet daarom daarover daarstraks daaruit daarvoor daarvoor (bv. Moord, ~ zit hij in de gevangenis.) dadel dadelijk dader dag dagdromen (over dingen fantaseren) dagelijks dageraad dak dakgoot dakloos dakloze dakpan dal (onderste deel van een vallei) dalen Dalmatië Dalmatiër Dalmatisch dam (stuw~) dame dame (van kaartspel) dammen damp dampkring dan (op dat moment; bv. Ik kom ~) dan (vervolgens; bv. eerst dit, ~ dat) dan (groter ~, anders ~,...) dan (in dat geval; bv. Als het regent, ~ ga ik niet.) dank je! dankbaar dankbaarheid danku! (dank je) (~ voor...) dankzij dans dansen danser dapper dapperheid darm (orgaan) darm (slang; bv. rubberen ~) das (dier) das (strop~, kledingsstuk) dat (betrekkelijk, bv. Het kind ~ daar zit,...) dat (bv. ~ kind komt.) dat (datgeen, hetgeen; bv. ~ wat hij zegt,...) dat, ~ hier / dees dat (bv. "Ik wil ~ hij komt.") databank datum dauw de debat decadent december decimaal decoratie (~ voor bv. heldendaad) decoratie (versiering) decoupeerzaag deeg deeggebak (croissants,pistolets,broodjes,...) deegwaar deel (~ van een geheel) deel (onderdeel, stuk) deelnemen, aan (iets) deelnemer deelneming (aan iemand zijn) innige ~ betuigen deelneming (~ aan een wedstrijd, zaak,...) deeltje (elementair ~) deelwoord, tegenwoordig ~ deelwoord, verleden ~ defect defensie definitief deftig degelijk degelijkheid degene (diegene; bv. ~ die dat gedaan heeft,...) dek deken (beddeksel) deksel (laken, deken, sprei,...) deksel (van pot, emmer,...) delegatie delen deler (bv. 3 en 4 zijn ~s van 12) deling (wiskundige ~) democratie democratisch demonstratie demonstreren (tonen) demonteren den (Pinus, denneboom) Den Haag Denemarken denkbaar denken denker denneappel depot (magazijn) depressie depressief derde (3de) derde (1/3) dergelijk dermate dertien (13) dertig (30) desalniettemin deserteren deserteur design desinfecteren deskundige (vakman) desnoods dessert destijds destillatie destructief detail detective detergent deugd deugdzaam (braaf, rechtschapen) deugen deugniet deuk deur deurbel deurwaarder devies deviezen deze (bv. ~ man komt.) deze (bv. ~ vrouw komt.) dezelfde dia diabetes diagnose diagonaal diagram dialect diamant diameter diarree dicht (<-> ijl, bv. ~e mist, ~ bos) dicht (toe) dichtbij (bv. Ik kom ~.) dichter dichtheid (bv. massa~, bevolkings~,...) dichtkunst dictator dictatuur dictee dicteren die (bv. ~ man komt.) die (bv. ~ vrouw komt.) die (bv. De man ~ daar zit,...) die (bv. De vrouw ~ daar zit,...) die ginder (bv. Welke kies je? Die ginder! dieet dief diefstal dienaar (knecht) dienblad dienen dienst (bv. ministerie,...) dienst (gunst) dienst, speciale ~ (bv. wachtdienst dokter) dienstplicht dienstregeling (van treinen) diep (figuurlijk) diep (letterlijk) diepgaand (<-> oppervlakkig; bv. ~ interview) diepte diepvriezer dier dier, schadelijk ~ dierbaar dierenarts (veearts) dierenriem dierentuin dierkunde dierlijk diesel dij dijk dik (niet visceus, stroperig, bv. ~ke olie) dik (zwaarlijvig) dikte dikwijls dilemma dille dinar (Servische munteenheid) diner (sjiek ~) ding (zaak) dinosaurus dinsdag diode diploma diplomaat direct (open, vrank) direct (rechtstreeks) direct (ogenblikkelijk, dadelijk) directeur directrice dirigent discipline discotheek discreet discussie discussiëren disharmonie diskette diskwalificeren distel (Dipsacus fullonum) distillatie dit (bv. ~ kind komt.) divisie (leger~) dobbelen dobbelsteen dochter document documentaire dode dodelijk doden doedelzak doek doel (in voetbal) doel (voor, pijl, kogel,..., figuurlijk) doelloos doelmatig doelpunt doelwit doen doen (~ en afwerken) doen (uitrichten, volbrengen, bedrijven,...) doenbaar (realiseerbaar) dof dogma dogmatisch dokter (~ in de geneeskunde) dolfijn dolk dollar (Amerikaanse munteenheid) dom domein (~ van expertise/interesse/...) dominee domineren Donau donder donderdag donderslag donker (<-> licht van kleur) donker (duister, <-> licht) donker (duisternis) dons donsdeken dood doodgaan doodop doodskist doodslag (moord zonder voorbedachte rade) doodslag, onvrijwillige ~ doodvonnis doof doofstom dooien dooier (van een ei) doolhof doop doopbewijs doopvont door (~ de schuld van, wegens) door (~ toedoen van) door (doorheen) door (omwille van, - middel van) doorgaan (bv. Hij gaat door voor een goed advokaat.) doorgaan (verdergaan) doorgaans doorgang (passage) doorgeven (iemand iets ~) doorn (van roos, cactus, enz.) doorschijnend doorslikken doorsnede (bv. ~ van 2 verzamelingen) doorstaan (bv. provocaties/kloppen/... ~) doorstrepen doorzetten (uitvoeren) doorzichtig doorzoeken doos dopen dorp dorpel dorst, ~ hebben dorst dorstig dosis dossier douane douanebeambte douche douchen downloaden (van internet ~) draad draad (geïsoleerde elektriciteits~) /snoer draad (metaal~ bv. voor elektriciteit) draagberrie draaglijk draagwijdte (bv. ~ van een afgeschoten pijl) draaien draak draf dragen (een gewicht ~) dragen (kleren ~) dragon (Artemisia dracunculus) drank (koude ~) drank (warme ~, bv. koffie, thee) drastisch draven dreef dreigen dreiging drempel dresseren drie (3) drie (een ~ op het rapport; lijn ~ van tram/bus) driehoek driehoekig drietal drijfveer drijven (<-> zinken) drijven (ergens toe aansporen/aanzetten) dringend drinkbaar drinken droevig (bv. een ~e situatie) droevig, ~ zijn drogen drogreden dromedaris (Camelus dromedarius) dromen dronkaard dronken droog (<-> nat) droogkast droogte droom drug druif druiventros druk (hevig, onstuimig) druk drukfout drukken (bv. een boek ~) drukken (bv. op een knop ~) drukkerij drukte drukwerk drummen (duwen en wringen) drummen (met trommels) druppel druppelen dubbel (bv. ~e portie) dubbel (tweevoudig, bv. als in ~spion) dubbelganger dubbelpunt (:) dubbelzinnig duidelijk duif duikboot duikelen, naar beneden ~ / tuimelen duiken (in het water ~) duiken (onder water ~) duiker duim duimspijker duin duister duisternis Duits Duitsland duivel duizelig duizend (1000) duizendpoot duizendste duizendste (1/1000) duizendtal dulden dun (~ gezaaid, bv. ~ haar) dun (bv. een ~ne vrouw, ~ne muur) dun (slap, niet straf, bv.thee) dun (visceus) duren durf durven (zich aan iets wagen) durvend dus dutje, een ~ doen dutten duur (<-> goedkoop) duur (lengte in tijd) duurzaam duwen dwaas dwalen (zonder doel rond~) dwang dwarsbomen dweil dwerg (kabouter) dwingen dynamiet dynamo e-mail (elektronische post) e.h.b.o. eb (laag tij, <-> vloed) echo echt (<-> vals; bv. Hij is een ~e man.) echt (bv. Hij zal ~ komen!) echt echtelijk echter echtgenoot echtgenote echtscheiding economie economisch economist edel edelmoedig edelsteen editie eed eekhoorn eelt een één (1) één, niet ~ een (een ~ op het rapport; lijn ~ van tram/bus) een of ander (bv. ~e mens) eend eender (bv. Het is me allemaal ~) eendracht eendrachtig eenentwintig (21) eenheid (meet~) eenheid (unie) eenmalig eens (één keer) eens (een keer; bv. Ik zal dan wel ~ doen.) eens, het ~ zijn (met iets/iemand) eenvoudig eenzaam eenzaamheid eer eerbetuiging eerbied eerder (vroeger, voorafgaand) eerder (prioritair, liever) eerder (vroeger) eergisteren eerlijk eerloos eerst (bv. ~ beginnen we aan...) eerste eerste, de ~ (kampioen, leider, titelhouder) eervol (eerzaam) eerwaarde eerzucht eerzuchtig eetbaar eetkamer eetlust eeuw eeuwig eeuwigheid effect effen effenen efficiënt egel egoïstisch Egypte ei eigen (bv. Dat is ~ aan apen.) eigen (bv. mijn ~ huis) eigenaar eigenaardig eigendom eigendom (grond~) eigengereid eigenlijk eigenschap eigenzinnig (zijn eigen zin volgend) eik eikel eiland einde eindelijk eindeloos einder eindigen eis eisen eiwit (proteïne) eiwit (win van een ei) ejaculatie ekster elastiek elastiekje (rekker) elastisch elders elegant elektricien elektriciteit elektrisch elektron elektronica elektronisch element elementair elf (11) elk (bv. ~e keer, ~ jaar, ~ mens) elk (ieder) (bv. voor ~ 3 stuks) elkaar (bv. We zien ~ elke dag.) elleboog ellende ellendig ellips els (Lat.: Alnus) email (glazuur) emancipatie emanciperen embleem embryo emigrant emigreren emmer emotie emotioneel en (- tevens) en (~ anderzijds) en (~ daarmee, ~ dan pas) encryptie (~ van gegevens) encyclopedie energie energiek enerzijds (van de ene kant) eng (nauw, zeer smal) engageren (zich ~) engel Engeland Engels enig (uniek) enige (enkele) enige, de ~ enigszins (in zekere mate) enigszins (op een of andere manier) enkel (bv. ~e richting) enkel (bv. een ~ woord) (enige) enkel enkele (enige, verschillende) enkele, één ~ (bv. Er bestaat slechts één ~.) enkelvoud enorm (overdonderend) enquête (bv. een ~ uitvoeren) enten enthousiasme enthousiast enthousiasteling envelop enz. (enzovoort) enzovoort epidemie epilepsie episode epos equipe equivalent er (bv. ~ gebeurt iets.) er (hier, bv. Ik ben ~!) erf erfenis erfgenaam erg (bv. een ~e situatie) erg erg (iets) ~ (spijtig) vinden ergens ergeren (kwaad maken) ergeren (op de zenuwen werken) erin erkend erkennen (als wettig / echt beschouwen) erkennen (toegeven) erkenning ernaar ernst ernstig erotisch erts eruit (bv. Ik kom ~.) eruitzien (~ als) eruptie ervan (daarvan; bv. Ik heb ~ genoten.) ervan (daarvan; bv. Ik heb ~ geproefd.) ervaren ervaren (ondergaan) ervaren (ondervinden) ervaring erven erwt es (Fraxinus excelsior) esdoorn (Acer pseudoplatanus) espresso essay essentie essentieel Estland etalage etappe eten eten (het middagmaal ~, lunchen) eten (maaltijd) eten (voeding) ether ethisch etiket etiquette etmaal etnie etter etui euro (Europese munteenheid) Europa Europeaan Europees evacueren evangelie even (<-> oneven, bv. 1,3,5,7,...) even (bv. ~ groot, ~ goed,...) even (korte tijd) even, om het ~ evenaar evenals eveneens evengoed (bv. Hij kan ~ thuisblijven.) evenmin (ook niet) evenmin, ~ als evenredig eventueel evenwel evenwicht evenwichtig evenwijdig evenzeer everzwijn (wild varken; Lat. Sus scrofa) examen excursie (georganiseerde uitstap) excuseren, zich ~ excuus exemplaar expeditie experiment expert (gerechtelijk ~) exploderen explosie explosief exponent export exporteren exporteur expres expressie expressief extase extra (bijkomend) extreem ezel ezel (schilders~) faam fabel (dierensprookje) fabelachtig fabriceren fabriek fabrikant factor factuur facultatief (niet verplicht) faculteit faeces failliet, ~ gaan faillissement fakir fakkel falen (tekortschieten) faling fameus familie familienaam fanatiek fanatiekeling fanfare fantaseren fantasie fantastisch farao farmaceutisch fascineren fascinerend fascisme fascist fascistisch fase fataal fatsoenlijk (degelijk, bv. een ~e auto) fatsoenlijk (welopgevoed) fax fazant februari federaal (verbonden) fee feest (bv. verjaardags~, nieuwjaars~,...) feest, ~ v.d. patroonheilige v.d. familie feestdag feestmaal feilbaar feit, in ~e feit feitelijk feitelijk (strikt volgens de feiten) fel (hel, bv. ~ licht) felicitatie feliciteren fenomeen ferm feuilleton fier (bv. Zij is een ~ meisje.) fiets fietsen fietser fietspad figurant figuur figuurlijk (<-> letterlijk) fijn (~ van karakter) fijn (<-> grof, bv. zand) file filet film filmen filosoferen filosofie filosofisch filosoof filter (bv. lucht~, elektrische ~, optische ~) finale financieel financiën Finland firma fladderen flakkeren flauw (smaakloos) flauw (zonder zout) flauwekul flauwvallen fles flessenopener flink (bv. ~e jongen) flink (kranig, bv. een ~e oude man) flirten flitslamp (flash, flitser) fluisteren fluit, ~ spelen fluit fluiten fluiten (van vogels) fluitje fluitketel fluor (F) fluweel flux (bv. magnetische ~) fokken folder folteren foltering fonds fontein fooi foor foppen fopspeen forceren forel formaat formaliteit formeel formidabel formule formulier fornuis fort fosfor (P) fossiel foto fotogeniek fotograaf fotograferen fotografie fotokopie fototoestel fouilleren fout fragiel framboos Frankrijk Frans fraude freesmachine frequent frequentie fresco frezen friet frietpot fris frisdrank friteuse frituur fronsen, de wenkbrauwen ~ fronsen, de wenkbrauwen ~ (kwaad kijkend) front (in oorlog) frontaal (bv. ~e botsing) fruit fruitsap fuif functie functioneren fundament fundamenteel fundering (~ van een gebouw) fysica fysicus fysiek gaaf (ongeschonden) gaai, Vlaamse ~ gaan gaan, vlug even (ergens) naartoe ~ (bv. naar de bakker) gaar (gebraden en klaar) gaar (gekookt en klaar) gaarne gaas (kippe~) gaas (verband) gaatjesknipper gal galant galblaas galerie galg galmen galopperen galvaniseren gang (~ van zaken, loop,...) gang (in een huis) gang (manier van lopen) gangbaar gans (geheel) gans gapen (met mond open kijken) garage (plaats voor auto in huis) garage (reparatieplaats) garagist garanderen garantie garçon garde (klutser) garderobe garen garnaal garnituur gas (algemeen) gas (brandstof) gast gastarbeider gastenkamer (privé) gastenkamer (voor verhuur) gastheer gastvrij gastvrijheid gat gat (anus) gauw gauw, zo ~ gave gazelle gazet gazon ge geacht gebaar (~ met handen) gebaar (geste) gebak (~ zonder vulling, bv. cake) gebak (klein cake-achtig ~) gebakje gebarentaal gebed gebergte gebeuren gebeurtenis gebied (~ van expertise/interesse/...) gebied (streek) gebit gebod (bv.: de 10 ~) geboorte geboortebewijs geboorteplaats geboren gebouw gebraad gebrek (tekort) gebrek (tekortkoming) gebruik, ~ maken van gebruik (gewoonte) gebruik (het bezigen) gebruikelijk gebruiken gebruiken (iemand ~ in negatieve zin) gebruikt gecompliceerd gedaante gedachte gedeelte gedeeltelijk gedenksteen gedicht gedienstig gedrag gedragen, zich ~ gedroogd (bv. ~ fruit) geduld geduldig gedurende gedwongen geel geelachtig geelzucht geen geen, ~ enkel geen, er is - meer geen, er is ~ geenszins geest geestdrift geestdriftig geestelijk (spiritueel) geestelijke (alg. spiritueel begeleider) geestelijke (islamitisch ~) geestelijke (kerkelijk ~) geestesziek geestesziekte geestig geeuwen (gapen door de vaak) gegeven (data) gegoten (bv. ~ metaal) gegrond (bv. een ~e beslissing) gehaast gehaat (door niemand geliefd) gehakt gehandicapt gehandicapte geheel geheim (bv. een ~e operatie) geheim (bv. een ~ verklappen) geheim (bv. iets in het ~ doen) geheimzinnig gehemelte geheugen gehoor gehoorzaam gehoorzaamheid gehoorzamen gehucht gehumeurd, goed ~ zijn gehumeurd, slecht ~ zijn gehuwd (man met vrouw) gehuwd (vrouw met man) geil geïnformeerd, ~ zijn geïnteresseerd geit gek (dwaas) gekleed geknield, ~ zitten gekruid gekscheren gekwetst (gewond) gekwetst (psychologisch ~) gekwetste gelaat gelaten (berustend) gelatine geld geld, baar ~ geldbeugel gelden (bv. De wet geldt voor iedereen.) geldig geleden geleden, lang ~ geleerd geleerde gelegenheid, ter ~ van gelegenheid gelei geleidbaarheid (conductiviteit) geleidelijk (stap voor stap) geleiden (bv. elektriciteit ~) geleider (elektrische ~) geliefd (bv. een ~ schrijver) gelijk (hetzelfde) gelijk (bv. Het is me allemaal ~) gelijk, ~ hoe gelijk, ~ welke gelijk gelijk, ~ hebben gelijkaardig (analoog) gelijkenis gelijkgezinde gelijkheid gelijkheid (juridische ~, bv. ~ van de geslachten) gelijkheid (wiskundige ~, A=B) gelijkheidsteken ( = ) gelijkmatig (bv. ~e ontwikkeling) gelijknamig gelijkstroom gelijktijdig gelijkvloers gelijkwaardig (<=>, equivalent) gelofte geloof geloofwaardig geloven (~ in...) gelovig gelovige geluid (klank) geluk (voorspoed) gelukkig (blij) gelukkig (~lijk) bv.: ~ regent het niet. gelukkige geluksvogel gelukwens gelukwensen gelukzak gemaakt (ineengestoken, vervaardigd) gemaakt (onnatuurlijk, gemanierd) gemak, op 't ~ gemak (gemakkelijkheid; bv. iets met ~ aankunnen) gemak (welbehagen; bv. zich op zijn ~ voelen) gemakkelijk gemalen (bv. ~ peper, ~ koffie) gemaskerd gematigd (<-> radicaal) gember gemeen (slecht, laaghartig) gemeenschap (geslachts)~ hebben (met iemand) gemeenschap gemeenschap (geslachts~) gemeenschappelijk gemeente gemeentehuis gemeenteraad gemengd (bv. ~ koor; ~ haartype) gemengd (dooreengeroerd, bv. yoghurt ~ met bananen) gemeubeld gemiddeld (bv. ~ aantal bezoeken per dokter) gemiddelde gemiddelde (rekenkundig ~, gemiddelde waarde) genade geneesheer geneeskrachtig geneeskunde geneesmiddel genegenheid generaal generatie generen, zich ~ genezen genezen (bv. Ik ben genezen.) genezen (doen ~, behandelen; bv. Ik genees hem.) geniaal genie geniep, in het ~ genieten (~ van) (opleven ) genoeg (bv. Hij heeft ~ gewerkt.) genoeg (bv. Dat is ~!) genoegen (bv. Het was mij een ~!) genot genre geografie geologie geoloog gepast (aangepast, geschikt) gepast (bv. ~ gedrag, ~e kledij,...) gepensioneerde geraamte gerecht (maaltijd) gerechtelijk gerechtigheid gerechtvaardigd (bv. een ~e boycot) gereed gereedmaken (bereiden) gereedmaken, zich ~ gereedschap (algemeen) gereedschap (werkgerief) gerei gereserveerd gerief (gereedschap) gerief (spullen, bruikbare dingen) geroep gerookt (bv. ~ vlees) gerst gerucht (roddel) geruis geruit gerust (bv. Neem ~!) geruststellen geschenk geschiedenis geschiedkundige geschikt geselen geslaagd geslacht (mannelijk/vrouwelijk) geslacht (nageslacht, volk) geslachtsgemeenschap geslachtsorgaan gesloten gesp gespannen (psychologisch) gespierd gesprek gesteente (mengeling van mineralen) gestoord (getikt) gestreept getal getalenteerd getijde getikt getuige getuige (bv. bij trouw, doop,...) geur gevaar gevaarlijk (<-> veilig) geval, in elk ~ geval gevangen (gevat) gevangen (opgesloten) gevangene gevangenis gevecht gevecht (mentaal ~) gevel geven geven, ~ om gevoel gevoelig gevoelsmatig gevogelte (kippen, kalkoenen, fazanten,...) gevolg (begeleiding; bv. de koning en zijn ~) gevolg (consequentie) gewaarworden (iets voelen aankomen) gewaarworden (waarnemen) gewapend (bewapend, bv. De dief is ~.) gewapend (bv. ~ beton) gewapend (met wapens, bv. een ~e overval) geweer gewei geweld (bruut ~) gewelddadig geweldig (enorm) geweldig (super!) gewenst (bv. een ~ kind) geweten gewetenloos (onverantwoordelijk) gewetensvol (plichtsbewust) gewezen gewicht (blokje v. weegschaal) gewicht (zwaarte) gewond gewonde gewoon (alledaags, normaal) gewoon (iets/iemand) ~ worden gewoonlijk gewoonte gewoonte (nationale ~, traditie) gewricht gezag gezamenlijk (bv. ~ bezit) gezegde (gramm. ~, predicaat) gezellig gezelschap gezicht (aan~) gezicht (ver~, uitzicht) gezin gezind, goed ~ zijn gezinshoofd gezond gezond, ~ worden gezondheid gezouten gezwel (weefsel~) gids giechelen gier (figuurlijk) gier (roofvogel) gierig gierigaard gierigheid gierst (Panicum miliaceum) gieten (bv. de bloemen ~) gieten (iets in een vorm ~) gieter gietijzer gif gift giftig gigantisch gij gijlie gijzelaar gijzelen gil gillen (Vlaams: kressen) gillet (~ zonder mouwen) ginder gips giraf gissen gist gisten gisteren gisterenavond gitaar glad glans glanzen glas (drink~) glas (materiaal) glazen (bv. een ~ bokaal) glazuur gletscher glibberig (slijmerig) glibberig (zeer glad, bv. een ~ terrein) glijbaan glijden glijden (bv. van een glijbaan naar beneden ~) glimlach glimlachen globaal gloed (van bv. BBQ) gloeien gloeien (rood ~) gloeiend gloeilamp gluren gneis god goddelijk godin godsdienst (geloof) godsdienst (vak op school) godsdienstig (gelovig, devoot) godsdienstig (godsdienst-) godverdoemme! godzijdank goed goed, zo ~ als altijd (bijna altijd) goedaardig (~ van karakter) goedaardig (bv. een ~ gezwel) goedenacht! goedenavond goedendag goedendag, ~ zeggen, kort bellen, contacteren goederen goederentrein goedgelovig goedhartig goedheid goedkeuren goedkeuring goedkoop goesting (~ hebben voor) gokken (bv.op roulette) gokker gokspel golf golf (bv. op zee) golf (sport) golflengte gom goochelaar gooien goot (op straat) gootsteen gordel gordijn gorgelen goud (Au) gouden (bv. een ~ ring) goudhandel (juwelierszaak) goudmijn goudsmid (juwelier) goudvis gouverneur graad (rang) graad (temperatuur, hoekgrootte,...) graaf graag graag (iemand) ~ zien graag (iets) ~ hebben graan (~korreltjes) graan (plant) graanschuur graat (~ van een vis) gracht gracieus graf grafiek (wiskundige voorstelling) grafisch grafsteen gram grammatica grammaticaal granaat (edelsteen) granaat (hand~, explosief) granaatappel graniet grap (mop) grappig (karaktereigenschap van persoon) grappig (mop, situatie,...) gras grasmaaier (grasmachine) grasveld gratie, ~ verlenen / schenken gratie (amnestie) gratis grauw graven gravin gravure grazen grens grenzen (~ aan...) gretig Griek Griekenland Grieks Griekse griep griesmeel griezelig griffier, ~ van de rechtbank grijnzen grijpen (graaien) grijs (~ van haar) grijs (grauw) grijsachtig gril (zottigheid) grill grillen grillig groei groeien groen groen (van planten) groenachtig groente groente, gestoofde ~n groententuin groep groet groeten grof (<-> fijn, bv. ~ zand) grof (vulgair, gemeen) grommen grond (~ in een huis, vloer) grond (diepste reden, bv. de ~ v.d. zaak) grond (een stuk ~) grond (het materiaal ~, aarde) grondgebied grondig grondlegger grondslag grondstof grondwet groot groot (~ van gestalte, hoog) Groot-Brittanië grootbrengen, een kind ~ groothandel grootheid (natuurkundige ~; bv. gewicht, lengte,...) grootmoeder (oma) grootouder groots grootte grootvader (opa) grot gruwelijk gsm (mobiele telefoon) gul gulzig gulzigaard gunstig gusle (vioolachtig instr. met 1 snaar) gymnastiek gynaecoloog haag haai haak haak (vis~) haakje, "(" (bv. tussen ~s) haal (heftige beweging) haalbaar haan haan (van geweer) haar (beklemtoond, bv. Van ~ heb ik een bloem gekregen) haar (bezittelijk en beklemtoond) haar (bezittelijk en onbeklemtoond) haar (bv. "Ik zie ~.") haar (bv. Ik geef ~ iets.) haar (onbeklemtoond) haar (p.v., ins.) haar (p.v., loc.) haar haar (één ~) haard haard (centrum, bv. vuur~, infectie~) haardroger haarspeld haas haast (bijna) haast haasten, zich ~ haastig haat hagedis hagel hagelen hak (van schoen) hak (werktuig) haken hal hal (grote ~ in kasteel, museum,...) hal (grote ~ voor beurzen, sport,...) halen (gaan om) half halfbroer halfgeleider halfzus hallo! hallo! (aan de telefoon) hallo! (dag! / gegroet! / hoi!) hallucinatie hals halsband halsketting halte (bus~) ham hamburger hamburger-vinger hamer hamster hand, aan de ~ van hand, mekaar een ~ geven hand handbal handdoek handel handelaar handelen (in aktie treden, iets concreets doen) handelen (kopen en verkopen) handeling handelsreiziger handicap handig handpalm handrem handschoen handschrift handtas handtekening handvat hangar hangen hanger (juweel) hanger (kleer~) hanteren hap hard (<-> week) hard (kordaat) hardnekkig hardop hardvochtig haring (Clupea harengus) hark harmonie harnas hart hartaanval hartelijk (bv. ~e groeten) harten (van kaartspel, bv. ~ acht) hartig (pittig gezouten/gekruid) hartstocht hartstochtelijk haten haven haver hazelaar (Corylus avellana) hazelnoot hebben hebben, niet ~ hebberig hebzucht hebzuchtig hecht (<-> los; bv. een ~e band, ~e knoop) hechten hectare heden heel (geheel; bv. Hij heeft de hele taart opgegeten.) heel (zeer) heelal heer Heer heer (van kaartspel) heer, ~ en meester heerlijk (voortreffelijk) heerschappij heersen, ~ over hees heester heet heet (zeer ~) hefboom heffen heiden heildronk heilig heiligbeen heilige heiligheid (bv. Zijne ~) heilzaam heimat heimelijk heimwee hek heks hel (fel, zeer licht) hel helaas (spijtig genoeg) held helder (bv. uitleg) helder (bv. water) helderziend helderziende heleboel helemaal helen (genezen, bv. Die wonde moet ~.) helen (verkopen van gestolen goederen) helft helikopter helium (He) helling (steile ~) helling (zachte ~) helm (bouwvakkers~) helm (leger~) helm (veiligheids~) helpen helper helpster hem (beklemtoond lijdend voorwerp, bv. Ik zie hém.) hem (beklemtoond, bv. Dat is van hém.) hem (beklemtoond, bv. Ik geef hém iets.) hem (bv. Ik ben met ~.) hem (loc.) hem (onbeklemtoond lijdend voorwerp, bv. Ik zie ~.) hem (onbeklemtoond) hem (onbeklemtoond, bv. Hélp ~!) hemd (overhemd) hemel (lucht) hemel (paradijs) Hemelvaart hen (vrouwelijke kip) hen (bv. 2 van ~ zijn dood.) hen (bv. Ik zie ~) hengel hengst (mannelijk paard) herberg (klein hotelletje, gasthuis,restaurant met kamers) herbergier herder herenhuis herfst hergebruik herhalen herhaling herinneren, zich [iets] ~ herinnering herkennen hermelijn heropleving herrie, ~ maken herrie hersenen hersenschudding herstellen (~ van een ziekte/kwetsuur) herstellen (repareren) herstelling hert hertog hertogin hervorming Herzegovina hesp hesp, gerookte ~ het het (bv. ~ is braaf, dat paard.) heten heterdaad, op ~ hetgeen (datgeen) hetzelfde heup heuvel (grote ~) heuvel (kleine ~) heuvelachtig hevig (<-> matig; bv. een ~e wind) hiel hier hier (naar ~) / hierheen hier, van ~ hierbij (bijgevoegd) hiernamaals hij hijgen hijsen (bv. een vlag ~) hijskraan hikken (de hik hebben) hinder hinderen (storen; bv. De rook hindert me.) hinderlaag hinderlijk hindernis hindoe hinken hinniken historicus historie historisch hitte hitte (broeiende ~ van de zon) hobby hobo hockey hoe (~ ..., ~ ...) hoe, ~ dan ook (bv. Ik moet er ~ dan ook zijn.) hoe, gelijk ~ hoe hoe (~ laat?, ~oud?) hoed hoef hoefijzer hoek (bv. in een kamer) hoek (meetkundig) hoektand hoer hoes hoesten hoeve hoeveel hoeveel (alleen om prijs te vragen) hoeveelheid hoeven, niet ~ hoewel hof hok (rommel~, klein schuurtje) hol (van een dier) hollen hommel (Lat. Bombus) homofiel homogeen homoseksueel hond hondehok (Vlaams: hondekot) honderd (100) honderdste honderdste (1/100) honderdtal Hongaar Hongaars Hongarije honger hongerig honing honorarium hoofd, op zijn/haar ~ staan hoofd (figuurlijk) hoofd (letterlijk) hoofddoek hoofdletter hoofdpijn hoofdstad hoofdzakelijk hoog (<-> laag) hoogachting hooghartig Hoogheid hoogleraar hoogmoedig hoogoven hoogspanning hoogte, op de ~ zijn van hoogte hoogtepunt hoogvlakte hooi hooikoorts hooistapel hoop hoop (pak, stapel) hoorbaar hoorn (muziekinstrument) hoorn (van een dier) hoorn (van telefoon) hop (plant om bier te maken) hopelijk hopeloos hopen horen (met oren waarnemen) horen (moeten; bv. Dat hoort nu eenmaal zo!) horen, ~ bij (behoren tot een groep) horen, ~ bij (bv. Jij hoort bij mij.) horen, slecht ~ horizon horizontaal horloge horoskoop hortensia (Lat.: Hydrangea) hospitaal hotel houdbaar houden (vasthouden) houden, ~ van (iemand / iets) houden, ~ voor (aanzien voor) houding (attitude) houding (lichaams~, pose) houding (standpunt) hout houten (bv. een ~ kast/lepel/ton/...) houthakker houtskool houtsnijden houtsnijwerk houweel huichelaar huichelachtig huichelen huid huidig huig huilen huilen (van wolven) huis huisarts huisbaas huisdier huisgemaakt huishouden huisvrouw huiswaarts (bv. Ik ga ~.) huiswerk hulp hulpeloos hulpmiddel hulpverlening huls (~ van een kogel,...) hulst (Ilex aquifolium) humaan humanisme humeur humor humus (bladgrond) hun (bezittelijk en beklemtoond, bv. Dat is ~ kind.) hun (bezittelijk en onbeklemtoond) hun (bv. Ik geef ~ ...) hunkeren, ~ naar (iets/iemand) huren hurken hut huur (huis~) huur (pacht) huwelijk (moment van ~) huwelijk (staat van ~) huwelijksfeest huwelijksreis huwen hyacint (Lat.: hyacinthus) hyena hygiëne hypnose hypochriet hypocriet hypotheek hypothese icoon ideaal idealisme idee identiek identiteit identiteitskaart idioot idool ieder (bv. ~e keer, ~ jaar, ~ mens) ieder iedereen (ieder) iemand iemands iep (Lat.: Ulmus) Ierland iets iets, ook maar ~ ijdel ijdelheid ijken ijs ijs (roomijs) ijsbeer (Ursus maritimus) ijskast ijskoud IJsland ijsthee ijveren (~ voor iets) ijverig ijzel ijzer (Fe) ijzeren ik illegaal illusie illustratie illustreren imam imitatie imiteren imker immers immigrant implementatie import importeren importeur impressie impuls in in (binnen ~) in (náár binnen) inademen inbeelden, zich ~ (dat men slim, sterk,... is) inboedel inborst (aard) inbraak inbreken inbreker incident indenken, zich ~ inderdaad indertijd index indiaan indien individu individueel indruk (bv. ~ maken) indrukwekkend inductie industrie ineens ineensteken (bv. een bouwpakket ~) ineensteken (bv. een puzzel ~) ineenstorten inenten (vaccineren, bij dieren) inenten (vaccineren, bij mensen) inenting infanterie infecteren infectie inferieur infinitief (onbepaalde wijs) inflatie informatica informatie informeren (~ naar...) informeren (~ over...) ingang ingenieur ingeving ingewanden ingewikkeld ingrediënt ingrijpen inhalen (bv. tijd/schade/... ~) inhalen (sneller rijden/gaan/... dan) inhaleren (rook ~) inheems inherent inhoud (volume) inhoud (wat erin zit/staat) inhouden, zich ~ initiaal (voorletter) initiatief injectie inkloppen inkomen (loon enz.) inkomensbelasting inkomsten (bv. ~ uit toerisme) inkt inktvis inladen (bv. waren ~ in een vrachtwagen) inleiden (een inleiding geven) inleiden, een bevalling ~ inleiding inlichten inlichting inloggen inmiddels innerlijk innig inpakken inrichten (bv. een woning/ruimte/... ~) inschakelen (bv. de politie ~) inschrijven inschrijving insect insecticide inslaan (bv. De bliksem kan ~.) inslaan (bv. een nagel ~) inslaan (bv. een ruit ~) inslaan (bv. een weg ~) inslapen inslikken insmeren inspannen, zich ~ inspanning (moeite) inspecteren inspecteur inspiratie inspuiten inspuiting instaan, ~ voor... instabiel (<-> stabiel) installatie instantie instappen instelling (institutie) instemming instinct instituut (dienst, bureau,..) instorten instorting instructie instrument (muziek~) instrument (technisch ~) integendeel integer (<-> corrupt; bv. een ~ man) intelligent intelligentie intentie (bedoeling) intentie (voornemen) interessant interesse interesseren interieur intern (bv. ~ conflict) internationaal internet interview intiem intikken intrest intuïtie intussen inval invalide invasie inventaris investeren investering invitatie inviteren invloed invoer invoeren (gegevens ~) invoeren (importeren) invoeren (introduceren, instellen) invriezen (iets ~ / doen bevriezen) invullen (bv. een formulier ~) inwendig (bv. ~e organen) inwijden inwoner inwrijven inzage inzet inzetten (~ op een kansspel) inzetten, zich ~ (voor iets/iemand) inzicht inzien ironie ironisch irrigatie irrigeren irriteren islam islamiet islamitisch isolatie isolator (<-> geleider) isoleercel isoleren (~ tegen kou, stroom,...) isoleren (afzonderen) Italiaans Italië ivoor ja jaar jaargetijde jaarlijks jacht (boot) jacht (het jagen) jachtluipaard jagen jager jaloers jaloezie jam jammer (iets) ~ vinden jammeren janken januari jarig, ~ zijn jas (overjas) jasje jawel jazz je je (bv. Ik geef ~ iets.) je (bv. Jij wast ~.) je (je eigen, bezittelijk en onbeklemtoond) je, bv. Ik zie ~. jegens jeneverbes (~boom; Juniperus communis) jeugd jeugdigheid jeuk jeuken jezelf (bv. Jij ziet ~ in de spiegel.) Jezus jicht jij jodium (I) Joegoslavië Joegoslavisch jokken jong (<-> oud) jong (van een dier) jongen (adolescent, jongeman) jongen (knaap) jongere (jongeling) jongeren jood joods jou (bv. Ik denk aan ~.) jou, bv. Ik geef (aan) ~ iets. jou, bv. Ik zie ~ graag. journalist jouw (bezittelijk en beklemtoond) joviaal judo juffrouw juffrouw (onderwijzeres) juichen juist (correct, <-> onjuist) juist (correct) juist (net, uitgerekend, bv. Waarom komt hij ~ nu?) juist (zopas) juli jullie jullie (bezittelijk en beklemtoond) jullie (bezittelijk en onbeklemtoond) jullie (bv. Ik geef ~ iets.) jullie (bv. Jullie wassen ~.) jullie (lijdend vw.) juni Jupiter juridisch jurist jurk jury juweel juwelier kaai kaak kaaksbeen kaal kaap kaars kaart (inkom~) kaart (land~) kaart (speel~) kaarten kaas (algemeen) kaas (gewone ~ zoals bv. gouda) kaaskroket kabaal kabel kabeljauw kabouter kachel kade kader (v.schilderij, ook figuurlijk) kaf kaft (van boek) kajak kajmak (soort verse kaas met room en boter) kak (kaka) kakelen kakken kakkerlak kalender kalf kalfsvlees kalium (K) kalk kalkoen kalksteen kalm kalmeren (kalm maken) kalmeren (kalm worden) kalmte kam kameel (Camelus bactrianus) kamer kameraad kamerjas kamille kammen kamp kamperen kampioen kampioenschap kan (bv. melk~) kanaal (~ van een zender/TV/...) kanaal (gegraven waterloop) kanarie (Serinus canarius) kandelaar kandidaat kaneel kangoeroe kanker kankeren (stevig doorzeuren, kritiek spuien) kano kanon kans kant, aan de ~ zetten kant (textiel) kant (zijde van een figuur/voorwerp) kantelen kantlijn kantoor kap kapel kapen (bv. een boot/vliegtuig ~) kapitaal kapitalisme kapitein kapot (gebroken) kapot (niet functionerend) kapot, ~gaan kapotmaken kapotslaan kappen (haar ~) kapper kapsel kapstok kar (paarden~) karaf karakter karbonade kardinaal karikatuur karper karton kassa kassier kast kastanje, tamme ~ kastanjeboom, tamme ~ kasteel kat kataloog katapult kater (~ van zattigheid) kater (mannelijke kat) kathedraal katholiek katoen katoog (reflector) kauwen kauwgom kaviaar kazerne keel keelontsteking keer keerkring kegel (~ uit een kegelspel) kegel (meetkundige figuur) kei keienweg (niet verhard baantje) keizer keizerin keizerrijk keizersnede kelder kelner kenmerk kenmerkend kennelijk kennen (bv. een persoon ~) kenner kennis (kunde) kennis (vriend) kennismaken keramiek kerel (knaap, jongeman) keren (omdraaien, wenden) keren (vegen) kerk kerker kerkhof kerktoren kermis kern kerncentrale kernenergie kerrie kers (Prunus avium) Kerstman (commerciële ~) Kerstman (katholieke ~) Kerstmis kerven (insnijden) ketel (~ van centrale verwarming) ketel (pot) ketter ketting keuken keurig keuze kever kidnappen kieken kiem kiemen kies (maaltand) kieskeurig kietelen kieuw kievit (Vanellus vanellus) kiezel kiezen kiezer kijken kijken, ~ naar kijker kikker kilogram (kilo) kilometer kin kind kind, aangenomen ~ kinderachtig kindercrèche kinderlijk kinderoppas kinderwagen kinkhoest kiosk kip kippenhok (Vlaams: kiekenkot) kippevlees kist klaar (af, afgewerkt, voltooid) klaar (bereid, gereed, in orde gebracht) klaar (helder, duidelijk, bv. van uitleg, tekst,...) klaar (helder, onbezoedeld, bv. ~ water) klaarkomen klaarmaken (bereiden) klaarmaken, zich ~ klacht klagen (~ over iets) klak klank klant klap (slag) klappen (in de handen ~) klaproos klarinet klas (~groep) klas (~lokaal, leslokaal) klasse klassiek klauw klavecimbel klaver klaveren (van kaartspel, bv. ~ negen) klavier kleden, zich ~ kleding kleed (jurk) kleerhanger kleermaker klei klein klein (~ van gestalte) klein (heel ~) kleinburgerlijk kleindochter kleingeestig kleingeld kleinigheid kleinkind kleinzoon klemmen klemtoon klep klepel kletsen (babbelen) kletsen (slaan) kleur kleuren kleurenblind kleurloos kleuter kleuterschool kleuterschool (~ met dagverblijf) kleven klier klimaat klimmen (naar boven gaan) klimop kliniek klink (deur~) klinken klinker (<-> medeklinker) klip klok (bel) klok (uurwerk) klonteren kloof (uitgesleten door rivier) klooster kloot klootzak klop (vuistslag, mep, stoot) kloppen (aankloppen, tikken) kloppen (juist zijn) kloppen (slaan, stoten) kluis klus (werkje) klutser knaagdier knagen knal knarsetanden knecht kneden (deeg ~) knellen (bv. van schoenen) knie knielen kniestuk (vlees om in soep te koken) knijpen (1 x ~) knijpen (herhaaldelijk ~) knikken knikker knipogen knippen knippen (haar ~, trimmen) knipperen knipperlicht knjaz (Slavische adellijke titel zoals hertog, prins) knoedel knoeien (prutsen, technisch ~; bv. met een auto ~) knoeien (smossen) knoeier knokpartij knoop (in touw) knoop (v.hemd, jas,...) knop (~ van plant) knop (~ van schakelaar/potentiometer) knopen (met een knoop verbinden) knuffelen knuppel knutselen koe koek koeken (van kaartspel, bv. ~ tien) koekoek koelbloedig koelkast koelte (frisheid) koepel koerier koers (van een munt) koers (wedloop, race) koets koetswerk koffer (valies) koffer (van auto) koffie koffieboon koffiezetapparaat kogel kok koken (~ van woede, zeer kwaad zijn) koken (eten klaarmaken) koken (iets in water ~, bv. aardappelen ~) koken (volledig hevig verdampen, op kookpunt komen) kokosnoot kolonel kolonie kom komedie komeet komen komen, uit iets ~ komiek komijn komisch komkommer komma ( , in een zin) komma (, decimaalteken) kommer (miserie, ellende) kompas konijn koning koning (~ van schaakspel) koningin koningin (~ van een bijenkolonie) koningin (~ van schaakspel, dame) koningschap koninklijk koninkrijk kont kooi kookpot (hoge ~) kookpunt kool (rode ~) kool (witte ~) koolraap (Brassica napobrassica) koolstof (C) koolzuur koopje koopkracht koor (zang~) koord (alle soorten) koord (gewone juten ~) koorts koortsachtig kop kop (van dier) kopen koper (Cu) koper (klant) kopie kopiëren koppel (gehuwd ~) koppelen (een koppel maken, 2 mensen/dingen bijeenbrengen) koppig koppigheid koprol (voorwaartse / achterwaartse ~) koren (landbouwgraangewas) korf koriander (Coriandrum sativum) korporaal korrel korrelig korst (~ op een wonde) korst (bv. ~ van brood, aarde,...) korstmos kort korting kortom kortsluiting kortstondig (<-> langdurig) kortzichtig kosmos kost kostbaar (kostelijk) kostbaar (persoonlijk waardevol) kosteloos kosten kostuum (mannen~) kot (rommel~) kotelet kotsen kou, ~ hebben (bv. Ik heb ~.) kou (<-> warmte) koud (<-> warm) koudbloedig kous (lange ~) kous (lange of korte ~) kozijn kraag kraai kraaien (het ~ van een haan) kraakbeen kraam (stand met eventueel tentdak) kraam (stevig hokje) kraan (hijs~) kraan (water~) krab krabbelen krabben (~ om pijn te doen) krabben (~ omdat het jeukt) kracht (natuurkundig) krachtig (bv. een ~e wind) kraken (breken; bv. noten ~) kramp krampachtig krankzinnig (dwaas, getikt) krankzinnig (echt geestesziek) krans krant krap kras krassen krat krater krediet kredietkaart kreeft (dier) Kreeft (sterreteken) kreeftskeerkring kreet, een ~ slaken kreet (uitroep) krekel Kreta kreukelen kreunen kreupel (met één been korter dan het ander) kreupel (niet kunnende lopen) kriebelen kriek (Prunus cerasus) krieken, ~ van de dag krijgen (verkrijgen, behalen) krijger krijgsgevangene krijsen krijt (gesteente om te schrijven) krik krimpen (<-> uitzetten) kring kringloop kristal kritiek kritisch Kroaat Kroatië Kroatisch kroeg kroket krokodil krokus (Lat.: crocus) krom (<-> recht) krommen kromming kroon krot kruid kruiden (bv. het eten ~) kruidenierszaak (kruidenier) kruidnagel kruik kruimel kruin kruipen kruis (deel van bv. paard, rond heiligbeen) kruis (schaamstreek) kruis (symbool) kruisen (bv. armen ~) kruisen (bv. in meetkunde) kruisen (laveren) kruisen (rassen ~) kruising (~ van 2 lijnen, paden, wegen,...) kruising (~ van 2 rassen) kruispunt kruistocht kruisvaarder kruiwagen kruk (klein stoeltje zonder leuning) kruk (om mee te lopen) krul (in haar) kubus kuchen kudde (~ schapen) kudde (~ wilde dieren) kuiken (~ van andere dan boerderijvogels) kuiken (~ van een eend) kuiken (~ van een gans) kuiken (~ van een kip) kuis kuisen kuisvrouw kuit kuna (Kroatische munteenheid) kunnen (in de mogelijkheid zijn om te...) kunnen (weten te, bv. ~ zwemmen) kunnende, ~ lezen en schrijven kunst kunstenaar (artiest) kunstenares kunstgebit kunstmatig kunstmest kunstschilder kunststof kunstwerk kurk (materiaal) kurk (stop) kurketrekker kus kussen kussensloop kust kut kuur (verzorgende behandeling) kwaad kwaadaardig (boosaardig) kwaadaardig (bv. een ~e kanker) kwaadheid kwadraat kwaken kwakzalver kwal kwalijk (iemand iets) ~ nemen kwaliteit kwart kwartaal kwartel kwartier kwarts kwast (verfborstel) kweken (bv. dieren/planten ~) kweken (opkweken, grootbrengen) kwekerij, ~ van planten, bomen kwetsbaar (fragiel) kwetsen kwetsuur kwijt (iets ~ zijn) kwijtraken (1x verliezen; bv. een sleutel 1x ~) kwijtraken (regelmatig ~ / verliezen) kwijtraken (vanaf geraken) kwik (Hg, kwikzilver) kwitantie laag (<-> hoog) laag laagspanning laan laars laat (<-> vroeg) laat, te ~ komen laatst (<-> eerst) labiel laboratorium labyrint lach lachen lachwekkend ladder lade (la) laden (bv. een geweer ~) laden (bv. een vrachtwagen ~) laden (waren op een boot ~) lading (elektrische ~) lading (vracht) laf lafaard lak (verf) laken lakken (bv. nagels ~) lam laminaat lamp lamsvlees lanceren land (staat) landbouw landbouwbedrijf landbouwer landbouwkunde landen (<-> opstijgen) landgenoot landloper landmacht landschap lang (<-> kort) langdurig langs (naast; bv ~ een rivier wandelen) langs (via) langwerpig langzaam lans lap (~ rond de oren) larve laserstraal lassen lasser last (lading) last (miserie) lastig (bv. een ~ kind / werk) lastig (niet comfortabel) lastpost (zeurkous) lat (meet~) laten, ~ gaan laten, ~ staan / zitten laten, ~ zien later later (<-> vroeger) Latijns laurier lauw lava lavabo lavendel (Lavandula angustifolia) lawaai lawine leder (leer) leed leeftijd leeftijdsgenoot leeg (~ van gedrag) leeg (<-> vol) leeglopen leegmaken leegte leek (<-> specialist) leem leer (bv. de ~ van Marx) leer (leder) leerkracht leerling leerlinge leerstof leerzaam leesbaar leeuw Leeuw (sterreteken) leeuwerik legende leger legering leggen leggen, een ei ~ legitimatie leiband leiden (aanvoeren) leiden (voeren, bv. water door een kanaal ~) leider (~ met macht, bv. politieker) leider (alg.: ~ van scouts/project/stam/...) leiding (bestuur) leiding (bv. water~, elektrische ~,...) lek (bv. een ~ke band) lekker lekstok lelie lelijk (<-> mooi) lenen lengte lengte (geografische ~) lenig (bv. een ~e atleet) lening lens lente lepel leraar (een groot ~) leraar (van 5de tot 8ste leerjaar) leraar (voor leerlingen vanaf 15j.) lerares (van 5de tot 8ste leerjaar) lerares (voor leerlingen vanaf 15j.) leren leren (~ en onthouden; aanleren, bijleren) leren (iemand iets ~ / aanleren) les lesgeven lesuur (les) Letland letsel letten, ~ op (iets/iemand) letter lettergreep letterlijk (naar de letter) letterlijk (niet figuurlijk) lettertype leugen leugenaar leuk leunen leuning (van stoel) leuning (van trap, terras,...) leutig leuze leven levend (<-> dood) levendig levensbeschouwing levenslang levensloop levensmiddel levensnoodzakelijk levensstandaard lever (als gerecht om te eten) lever (het orgaan) leveren levering lezen lezer lezing libel (libelle) liberaal liberalisme lichaam (lijf) lichamelijk licht (<-> donker) licht (<-> zwaar) licht (<-> duisternis) licht (<-> duisternis, natuurkundig begrip) lichtgelovig lichtzinnig lid (~ van een vereniging o.i.d.) lidgeld lidmaat (arm/been) lidmaatschap lidwoord lied lieden lief lief (verloofde) liefde liefhebben liefhebber liefhebberij liefst, het ~ liegen lies lieveheersbeestje lieveling liever (bv. Ik zou ~ niet gaan.) lift liften liggen liggen (zich bevinden) liggen, gaan ~ lijden lijf lijk lijken (bv. Dat lijkt me lekker.) lijken, ~ op lijm lijmen lijn (rechte) lijn (verbinding met openbaar vervoer) lijnstuk lijst (kader) lijst (reeks gegevens) lijster (zang~; Turdus philomelos) lijsterbes (wilde ~boom; Sorbus aucuparia) likeur likken limonade linde (Lat.: tilia) lineair linguïst liniaal links (<-> rechts) linksaf linnen linze (Lens culinaris) lip lippestift list liter literatuur lithografie Litouwen litteken liturgie living locomotief loep loeren lof log logaritme logeren (overnachten) logica logisch lok (haar~) lokaal loket lokken lol lolly lomp (onbeholpen) long longen longontsteking lont loochenen lood (Pb) loodgieter loodrecht (met hoek van 90° ertussen) loof (van bloemen, groenten...) loofboom look loom loon loop (gang) loop (van geweer) loopbaan lopen (hard~) lopen (stappen; bv. Kan je nog ~?) lopen (wandelen, gaan) loper (~ van schaakspel) loper (atleet) loper (sleutel die op vele sloten past) los (losgemaakt, niet verbonden) los (niet vast aangetrokken) losgeld losmaken lossen (<-> laden; bv. een schip ~) lot (~ van loterij) lot (levens~) loterij loven lucht luchter luchthaven luchtmacht luchtmatras luchtpijp luchtvaart lucifer lui (<-> werkzaam) lui luid (<-> stil) luiden luidspreker luier luierik luipaard luis luisteraar luisteren luisteren, ~ naar (gehoorzamen) luitenant lukken (<-> mislukken; bv. De operatie is gelukt) lunch lust (verlangen) lusten luster luxe lynx maag maagd Maagd (sterreteken) maaien maal maal (keer) maaltijd maan (satelliet van een planeet) maand maandag maandblad maandelijks maandstonde maandverband maanzaad maar (alleen ~, slechts) maar maar (integendeel; bv. Het is niet rood, ~ blauw.) maart maat (eenheid) maat (ritme, bv. in de ~ lopen) maatbeker maatregel (bv. een ~ treffen) maatschappij (de ~, de samenleving) maatstaf Macedonië machine machinist macht (bv. De president van Amerika heeft veel ~.) macht (bv. landmacht) macht (gezag; bv. Hij is aan de ~.) macht (kracht; bv. Hij heeft ~ in zijn spieren.) machtig made (larve van vlieg of mug) madeliefje (Bellis perennis) magazijn mager (~ lichaam) magie magisch magneet magnesium (Mg) magnetron mais maiskoek met kaas mak make-up maken (herstellen) maken (vervaardigen en afgewerkt hebben) maken (vervaardigen) maken, te ~ hebben met (iets) maker makker (vriend waarmee men samenwerkt) makreel malen (bv. koffie/graan ~) mals (bv. een ~ kussen, ~e biefstuk) Malta mama man (echtgenoot) man (mannelijk persoon) management manager mand mandarine maneschijn maniak manier manifestatie manifesteren (betogen e.d.) manifesteren, zich ~ mank mankement (tekortkoming) mankeren (bv. Er mankeert een stuk.) mankeren (bv. Hij mankeert iets in zijn hoofd.) mannelijk (~ van gedrag) mannelijk (~ van geslacht) mannequin mantel manueel (<-> automatisch) map (~ op de schijf van een pc) map (opberg~) marcheren margarine marge margriet (Leucanthemum vulgare) marine marjolein (Origanum majorana) marjolein, wilde ~ markeren markt (~plein) markt (economische ~) markt (kramen) marmer Mars marsepein martelaar martelen marter marxisme masker massa (een pak, een grote hoop, bv. een ~ mensen) massa (hoeveelheid stof in kilogram) massage masseren mast (~ van een schip) mat (<-> blinkend) mat materiaal materialistisch materie matig (<-> hevig) matras matrix maximum mayonnaise mazelen mazout me (bv. Geef ~ iets!) me (bv. Hij ziet ~.) me (refleksief, bv. Ik was ~/mij) mecanicien mechanica (studie van krachten en bewegingen) mechaniek mechanieker mechanisch mechanisme medaille mede-eigenaar mededeling medeklinker medeleven medelevend medelijden medelijden (genade; bv. De koning toonde ~.) medeplichtige medewerker medewerking mediaan medicament medicijn medisch meditatie mediteren mee (bv. Ga je ~?) meebrengen meedelen (verwittigen) meedoen, aan (iets) meegaan (met iemand ~) meegaan (object; bv. Hoe lang zal die auto meegaan?) meel meeleven, ~ met (medeleven met) meemaken meenemen meer, <-> minder meer meerderheid meerderjarig meerderwaardig meerval meervoud mees meest (<-> minst) meestal meester (meesterlijk vakman, bv. Rubens was een ~.) meester (school~) meetkunde meeuw meevallen (<-> tegenvallen) meewind mei meineed meisje mekaar, na ~ mekaar melancholie melancholisch melden (op neutrale manier meedelen, rapporteren) melk melk, magere ~, afgeroomde ~ melken melkerij (zuivelfabriek) melktand melkweg melodie meloen men meneer menen (sterk overtuigd zijn) menen (vinden) mengeling mengen mengen (~ tot alles volledig dooreen is) mengsel menig menigte mening mens menselijk mensen, veel ~, (volk) mensheid menstruatie mentaliteit menukaart mep meppen Mercurius merel merg meridiaan merk merken (markeren) merken (opmerken) merkwaardig merrie (vrouwelijk paard) mes messing mest met (bv. samen ~) met (door middel van, bv. ~ een hamer) metaal metalen (bv. een ~ kast/lepel/buis/..) meteen meten meteoor meteorologie meter (lengte~eenheid) methode meting metsen metser meubel meubelmaker (iemand die houten meubels maakt) meubilair mevrouw mezelf (bv. Ik zie ~ in de spiegel.) miauwen microfoon microgolfoven microscoop middag middageten middagmaal middel, door ~ van middel (hulp~) middel (taille) middelbaar middeleeuwen, de ~ middelpunt middelst midden, ~ in (bv. ~ in de nacht) midden middenvinger middernacht mier migraine mij (aan ~; bv. Geef ~ iets!) mij (bv. Hij ziet ~.) mij (bv. met ~) mij (refleksief) mijn (bezittelijk en beklemtoond) mijn (bezittelijk en onbeklemtoond) mijn (put met delfstoffen) mijn (wapen) mijnheer mijnwerker mikken mikpunt milieu (natuurlijk ~) militair miljard (1000000000) miljoen (1000000) millimeter milt min ( - ) minachten (<-> achten) minachting (<-> achting) minder (<-> meer) minderheid minderjarig minderjarige minderwaardig minderwaardigheidscomplex mineraal minimum minister minister, eerste ~ ministerie minnaar minnares minst minstens minuut mirakel mis (fout) mis misbruik misbruiken misdaad misdadiger misdrijf miserabel miserie mishandelen miskraam misleiden mislukken mislukking misschien misselijk misselijkheid missen (een geliefde ~) missen (ernaast schieten) mist mistig misverstand mits (in zoverre, op voorwaarde dat) mixen (in stukjes fijn~) mixer mobiel modder modder, glibberige ~ modderplas mode mode-ontwerper model (~voorbeeld, ideaal) model (bv. schaal~) model (foto~) modelvoorbeeld (bv. ~ van een formulier) modern modieus moe moed moeder moeder, ~ van schoonzoon/schoondochter moederschoot moedertaal moedig moedwillig moeilijk moeilijkheid (last, moeilijke omstandigheid) moeite, zonder ~ moeite, ~ doen moeite (inspanning) moeizaam moer moeras moerbeiboom moes moestuin moeten moeten (~ omdat het nodig is) mogelijk mogelijkheid mogen (lusten) mogen (toestemming hebben om te) mol molecule molen (bv. graan~, koffie~) molen (wind~) mollig moment momenteel mompelen mond mondeling monding monnik (katholieke ~) monnik (orthodokse ~) monotoon monster monster (staal) montage Montenegrijn Montenegrijns Montenegrijnse Montenegro monteren (plaatsen) montuur (bril~) monument (grafsteen, standbeeld,...) mooi moor moord moorden moordenaar mop mopperen moraal moreel morgen (dag na vandaag) morgen, deze ~ morgen (ochtend) morsen mortel mos moskee moslim mossel mosterd mot motief moto motor motorfiets motregen mottig motto mouw mouwvegen mozaïek mug muggebeet muil muis mummie munitie munt (muntstuk) munt (tuinkruid) muntfabriek muntstuk mus museum musical musiceren muts muur muziek muzieknoot muzikant mysterie mysterieus mystiek mythe mythologie na (<-> voor) na (bv. Het is 5 ~ 6.) naad naaien naakt naakt (schilderij) naald (werktuig) naaldboom naaldwoud naam naamval naamwoord, bijvoeglijk ~ naamwoord, zelfstandig ~ naar naar (~ toe, in de richting van) naar, ~ (en tot aan/op; bv. Ik ga ~ zee.) naar, ~ (en tot in) naarstig naast nabij (niet ver) nabij (bij, niet ver van) nabootsen nacht (<-> dag) nachtegaal nachtmerrie nadat nadeel nadenken naderen nadien nadruk (accent) nagaan (nakijken) nagel (spijker) nagel (vinger~) nagellak nagerecht naief najaar nakijken (controleren, nagaan) nakijken (inspecteren) nalatig namaak (vervalsing) namaken (vervalsen) namelijk namiddag narcis (Lat.: narcissus) narcose nat (<-> droog) natie nationaal nationaliteit natuur natuur (karakter, aard) natuurkunde natuurkundige natuurlijk natuurlijk (vanzelfsprekend) nauw nauwelijks (bijna niet) nauwkeurig nauwkeurigheid navel navolgen navraag, ~ doen (naar...) nederig nederlaag Nederland Nederlander Nederlands Nederlandse nederzetting nee (<-> ja) neef (kozijn=zoon van oom/tante) neef (zoon van broer) neef (zoon van zus) neerleggen neerleggen (een klacht ~) neerslachtig (teneergeslagen) neerslag negatief negen (9) negen (een ~ op het rapport; lijn ~ van tram/bus) negende (de ~) negentien (19) negentig (90) neger negeren neigen, ~ naar (overhellen naar) neigen, ~ tot nek nemen Neptunus nergens nerveus nest nestel net (proper, ordelijk) net (juist, uitgerekend) net (precies; bv. Hij lijkt ~ dood.) net (zojuist) net (vis~) netto netvlies netwerk (computer~) neuken neus neushoorn neutraal neutron nevel (dunne mist) nevelig nevens nicht (dochter van broer) nicht (dochter van oom) nicht (dochter van zuster) niemand niemands niemandsland nier niesbui niet niet, ~ meer nieten nietig nietmachine niets, voor ~ (tevergeefs) niets (bv. Ik heb ~.) nietsnut (~ die slechte dingen doet) niettegenstaande nieuw nieuwigheid nieuwjaar (1 januari) nieuws nieuwsgierig nieuwtje niezen (1 x ~) niezen (herhaaldelijk ~) nijd (afgunst) nijdig nikkel (Ni) niks niveau noch, ~ ..., ~ ... nochtans nodig nodig, ~ hebben, bv. Ik heb iets ~. nodig, ~ zijn, bv. Ik ben ~ op mijn werk. noedel noemen noen nog nogal (tamelijk) nogmaals non (katholieke ~) non (orthodokse ~) nonkel (aangetrouwd) nonkel (broer v. moeder) nonkel (broer v. vader) nonsens nood (behoefte) nood (probleem) noodgeval noodlot nooduitgang noodzakelijk nooit noordelijk noorden (<-> zuiden) noordpool Noorwegen noot (muziek~) noot (wal~) nootmuskaat (Myristica Fragrans) norm normaal (<-> abnormaal) nors nostalgie notaris noteren november nu nuchter (een lege maag hebbend) nuchter (geen alcohol gedronken hebbend) nul, 0 nummer nummerplaat nut, van ~ zijn nut (bruikbaarheid) nut (zin) nutteloos nuttig nylon oase ober object objectief (<-> subjectief) observatie observeren occultist oceaan Oceanië ochtend oefenen oefening Oekraine oester oever of (alsof) of (bv. Ik weet niet ~ hij komt.) of (ofwel) offer (bv. een ritueel ~) offeren offerte officieel officier officieus ofschoon ogen (eruitzien, bv. Dat oogt mooi!) ogenblik ogenblikkelijk ogenschijnlijk okee (in orde) oksel oktober olie oliebol olifant olijf olijfboom olm (Lat.: Ulmus) om (bv. ~ te spelen) om (bv. Ik ga ~ brood.) om (omstreeks) oma (grootmoeder) omarmen omdat omdraaien (bv. zijn hoofd ~) omdraaien (figuurlijk; bv. iemands woorden ~ / verdraaien) omdraaien (volledig rechtsomkeer maken) omdraaien, zich ~ (bv. in zijn bed / graf) omelet omgaan, ~ met ... (behandelen) omgaan, ~ met ... (verkeren) omgekeerd (bv. in ~e verhouding) omgeving (buurt) omgeving (milieu) omheining omhelzen omhoog omkeren omkomen omkopen omlaag omstandigheid (bv. bezwarende ~) omstandigheid (bv. levensomstandigheden) omstreeks omtrek omweg omwenteling (revolutie) omwenteling (toer van een wiel/vijs/...) omwille van omzet omzetten (bv. meters ~ in mijlen) omzetting omzichtig onaangenaam onafhankelijk onbaatzuchtig onbegrijpelijk onbekend onbekende (bv. in wiskunde) onbeleefd onberispelijk onbeschoft onbetrouwbaar onbeweeglijk onbewoond onbewust ondanks onder (lager dan) onder (tussen; bv. Hij is graag ~ de mensen.) onderaan (bv. ~ de fles ligt bezinksel.) onderaan, ~ beginnen onderbewustzijn onderbreken onderbreking onderbroek onderdak onderdeel ondergaan (duikboot,...) ondergaan (lijdzaam ~) ondergaan (meemaken, bv. een behandeling ~) ondergaan (zon) ondergang (~ van de zon; <-> opkomst) ondergang (bv. ~ van een rijk, een persoon) ondergoed onderhandelen (over iets ~) onderhandeling onderhemd onderhoud (bv. van auto) onderhouden (in goede toestand houden) onderkant onderling ondernemen ondernemend ondernemer (zakelijk ~) onderneming (bedrijf) onderneming (bv. Die expeditie is een hele ~.) onderschatten onderscheid onderscheiden onderste ondersteboven ondertekenen ondertussen ondervinden ondervinding ondervragen ondervraging onderweg onderwerp (gramm. ~) onderwerp (thema) onderwijs (de lessen) onderwijs (het ~systeem; bv. het ministerie van ~) onderwijzen onderwijzer (leraar in lagere school) onderwijzeres (lerares in lagere school) onderzoek (dokters~, nazicht) onderzoek (enquete, politie~, bloed~,...) onderzoek (experiment, test) onderzoek (wetenschappelijk ~) onderzoeken (diagnose stellen) onderzoeken (wetenschappelijk ~, uitzoeken) onderzoeker onduidelijk (vaag) oneerlijk oneindig (bv. in wiskunde) oneven (<-> even, bv. 0,2,4,6,...) ongedierte ongeëvenaard ongeldig ongelijk, ~ hebben ongelijkheid (wiskundige ~, A>B) ongelooflijk ongeloofwaardig ongelovig ongeluk (ongeval) ongeluk (toestand van ~) ongelukkig ongelukkige ongeneeslijk ongerept ongerust ongetwijfeld ongevaarlijk ongeval ongeveer ongewoon ongezond onheil onheilspellend onherstelbaar onhoorbaar (geruisloos) onjuist onkosten onkruid onlangs onmacht onmiddellijk onmisbaar onmogelijk onnodig onnozel (simpel, dom) ononderbroken onpaar onpartijdig onrecht, ten ~e onrecht onrechtmatig onrust onrustig ons ons (bezittelijk en beklemtoond) ons (bezittelijk en onbeklemtoond) ons (bv. Geef ~ water!) ons (lijdend vw., bv. Hij ziet ~.) onscherp onschuld onschuldig (<-> schuldig) onschuldig (naïef) onsterfelijk onstuimig (~ van karakter/gedrag) onstuimig (stormachtig) onszelf (bv. We zien ~ in de spiegel.) ontbijt ontbijten ontbinden (~ van een lijk) ontbinden, een huwelijk ~ ontbreken (bv. Er ontbreekt een stuk.) ontcijferen ontdekken ontdekking ontdekkingsreiziger ontfermen, zich ~ over (iets/iemand) ontgoocheld ontgoochelen onthaal onthouden (zich herinneren) onthullen ontkennen ontkennend (bv. een ~e zin) ontkomen (bv. ~ aan de politie) ontlasting ontleden (bv. een muis ~) ontleden (bv. een probleem ~) ontmoedigen (<-> aanmoedigen) ontmoeten ontmoeting ontploffen ontploffing ontroeren ontroerend ontrouw ontslaan (afdanken, ~ uit het ziekenhuis) ontslag ontslag (bv. Ik geef mijn ~.) ontsmetten ontsnappen ontspannen ontspanning (amusement) ontspanning (relaxatie) ontstaan ontsteking (~ van motor, bom,...) ontsteking (ziekte) ontvangen ontvanger (radio~) ontvangst (bv. ~ van een radio/tv/...) ontvangst (het aannemen van goederen, geld,...) ontvangst (onthaal) ontvoeren ontvoering ontwaken ontwerp ontwerp (tekening, plan, schets) ontwerpen ontwijken (bv. belastingen ~) ontwikkeld ontwikkelen ontwikkeling ontwikkelingsland ontwrichten ontzag onuitputtelijk onvatbaar onvergeeflijk onvergetelijk onvermijdelijk onverschillig onverwacht onvoorspelbaar onvoorwaardelijk onvoorzichtig onvoorzien onweer onwettig onzichtbaar onzijdig (~ geslacht) onzin oog (iets/iemand) in het ~ houden oog oogst (het oogsten van graan) oogst (het plukken) oogst (opbrengst) oogsten ooievaar ooit ook oom (aangetrouwde ~) oom (broer v.moeder) oom (broer v.vader) oompje (koosnaam) oor oorbel oordeel oordelen (~ over iets/iemand) oorlog oorlog voeren oorschelp oorsprong oorspronkelijk (authentiek) oorvijg oorzaak (bv.: ~ en gevolg) oostelijk oosten (<-> westen) Oostenrijk op (er zijn er geen meer) op (<-> onder; bv. ~ de kast) op (bv. ~ bezoek) op prijs stellen opa (grootvader) opaal opbellen opblazen (doen ontploffen) opblazen (vullen met lucht) opblinken opbrengen (bv. Hoeveel brengt dat op?) opbrengst opdat opdienen (bv. het eten ~) opdracht (taak) opdringen opdringerig opeens open (geopend) openbaar openen opening (gat) opening (het openen, bv. de ~ van een nieuwe winkel) openlijk opera operatie opereren opeten opgebruiken opgeleid opgesloten (gevangen) opgeven (afzien van) opgewekt opgewonden opgraving (bv. archeologische ~) opgroeien ophopen ophouden (stoppen) opinie opinie, de publieke ~ opknappen (bv. een huis ~) opkomen (~ voor iets/iemand) opkomen (bv. Het water zal ~.) opkomen (zon) opladen (bv. batterijen ~) oplader oplage opleiden opleiding opletten (aandacht geven; bv. ~ in de les) oplichten (bedriegen) oplichter oplosbaar (~ in een vloeistof) oploskoffie oplossen (een probleem ~) oplossen (iets in een vloeistof ~, bv. zout ~ in water) oplossen (in een vloeistof ~, bv. zout lost op in water) oplossing (~ voor een probleem) oplossing (vloeistof met iets in) opluchting opmaak (lay-out) opmaken (bv. geld ~, opgebruiken) opmaken (iets ~ uit iets) opmaken, zich ~ opmerken opmerking opname (film, geluid,...) opnemen (~ / afhalen van geld uit bv. automaat) opnemen (film, geluid,... ~) opnieuw opofferen, zich ~ oponthoud oppassen (opletten voor gevaar) opperen (voorstellen) oppervlakkig (<-> diepgaand) oppervlakte oppompen (water ~) oprapen (bv. een papiertje ~) oprecht oprichten (bv. een school ~) oprichting oproep (bv. ~ voor legerdienst) oproepen (bv. geesten ~) opruimen opscheppen (pochen) opschieten opschieten (goed ~ met...) opschrijven opslaan (gegevens, goederen,... ~) opslaan (verhogen in prijs) opslag (loon~) opsluiten (iemand ~) opsporen opstaan (rechtstaan) opstaan (wakker worden) opstand (grote ~) opstand (kleine ~, rel) opstijgen (<-> landen) opsturen (versturen, bv. een brief ~) optellen optieker optimisme optimist optimistisch optisch optrekken (bv. een muur ~) optrekken (bv. het ~ van de levensstandaard) opvallen opvallend opvatting opvoeden opvoeder opvoeding opvoedkunde opvolgen opvolger opvullen (bv. een gat ~) opwarmen opwekken (bv. stroom ~) opwinden opwindend opwinding opzet (bv. iets met ~ doen) opzettelijk opzicht, in elk ~ opzichter opzuigen oranje orde ordelijk ordenen ordening (structuur, organisatie; bv. de sociale ~) oregano (Origanum vulgare) orgaan organisatie organisator organisch organiseren organisme orgel oriënteren, zich ~ origineel (oorspronkelijk) orkaan orkest orthodox os oud (<-> jong) oudejaarsavond ouder (vader/moeder) ouderdom ouderling ouderwets oven over (bv. ~ / binnen zoveel tijd) over (bv. Het is 5 ~ 6.) over (denken/spreken ~) over (plaatsaanduiding; bv. ~ de brug) overal overbelasten overbodig overdag overdekt (bv. een ~ zwembad) overdragen overdrijven overeenkomen (instemmen, bv. grammaticaal ~) overeenkomen (met iemand goed ~ / opschieten) overeenkomend (gelijkaardig) overeenkomend, ~ met overeenkomst (gelijkenis) overeenkomst (verdrag) overeenkomstig overgave (capitulatie) overgeven (braken) overgeven, zich ~ overgrootmoeder overgrootvader overhalen (bv. de trekker ~) overhalen (iemand ~) overhandigen overheid overhemd overige overigens overleden overleven overlijden overmaken overmorgen overnachten overnachting overnemen (bv. een bedrijf/de controle ~) overreden overschot (rest) overschot, stoffelijk ~ overschrijden (bv. een limiet/grens/... ~) overschrijven (geld ~) overslaan overslapen, zich ~ overspannen overspel overstappen oversteken overstroming overtekenen overtreden (bv. de wet/het woord van God/...) overtreder (~ van regels) overtreding overtuigen (iemand ~ van iets) overtuigend overtuiging overval overvloed (teveel) overvloed (weelde; bv. Hij leeft in ~.) overweg overwegen overwinnen overwinning overzicht (bv. ~ over een situatie) overzichtelijk oxideren paal paar paard paard (~ van schaakspel) paardebloem paardekastanje (~boom, Lat.:Aesculus) paardenoog paardrijden paars (rood+blauw) pad (amfibie) pad (weggetje) paddestoel paffen pagina pak (hoop, massa) pak (kostuum) pak (pakket) pakken (grijpen) pakken (inpakken) pakken (nemen) paleis palet paling palmboom Palmzondag pan (braad~, om in te bakken) pan (dak~) paneren (bakken met paneermeel) paniek panne pannekoek panorama panter pantoffel pap pap (voor baby's) papa papaver papegaai papier paprika parachute paradijs paragraaf parallel paraplu parasiet parasol pardon parel paren parfum park parkeermeter parkeren parkiet (gras~ ; Melopsittacus undulatus) parking parlement particulier partij (bv. schaak~) partij (politieke ~) partijdig partituur partner pas (bv. We zijn ~ aangekomen.) Pasen paspoort passagier passant passen (bv. kleren ~) passen, ~ op (iets/iemand) passer passeren (bv. iemand ~) passie passief (<-> actief) passioneel pasta (spagetti, ...) pastinaak (pastinaca sativa) pastoor pastor patat paté pater (katholieke ~) pater (orthodokse ~) patiënt patriarch patriot paus pauw pauze pech pedaal pedagogie pedagoog peen peer pees (kleine ~ in vlees) pees (verbinding spier-been) peil (niveau) peiling (bv. een ~ uitvoeren) peinzen pel (buitenste schil, bv. van fruit) pelargonium (foutief geranium) pellen pels pen (vul~) pennenzak penseel (borsteltje) pensioen peper pepermolen per (bv. ~ definitie, ~ kilo, ~ liter,...) per (bv. ~ uur, ~ kilometer,...) per (door middel van, bv. ~ post, ~ vliegtuig,...) percent percentage perfect perforator periode perkament permanent perron pers (bv. druk~, druiven~,...) pers (gedrukte ~: kranten, tijdschriften,...) personeel persoon (grammaticale ~) persoon (mens) persoonlijk persoonlijkheid perzik pessimist pessimistisch pesten pet peterselie (krul~, petroselinum crispum) petroleum peul peuter (kind tussen 1 en 2,5 jaar) peuteren peutertuin pianist piano piekeren (~ over...) piepen (geluid maken als niet gesmeerde deur/rem) piepen (geluid maken als vogeljong) piepen (geluid maken zoals muizen) piepen (gluren) pier (aardworm) pier (staketsel) pijl (om te schieten) pijl (symbool) pijlinktvis (Lat. Teuthida; "calamares") pijn, ~ doen (bv. Mijn hoofd doet pijn.) pijn pijnboom (Pinus) pijnlijk (bv. een ~e teen) pijnstiller pijp (rookgerief) pijpestelen, ~ regenen pikant pikken pil piloot pincet pinda pinguin pink Pinksteren pinmachine pinnen pion (~ van schaakspel) pionier piraat piramide pis pisbloem pispot pissen pistolet pistool pit pita (Servische ~) pizza pizzeria plaaster plaat (plat stevig stuk hout, steen, metaal,...) plaats, in ~ van plaats plaatselijk plaatsen (een plaats geven) plaatsen (monteren) plaatsen (situeren) plaatsen (zetten, stellen) plaatsen, zich ~ (bv. in sport) plaatsvervanger plaatsvinden (bv. Het koncert vindt plaats in...) plafond plagen plakband plakken plamuren plan, van ~ zijn (te + inf.) plan, zijn ~ trekken plan planeet plank plannen plant (jonge kweek~) plant (kruidachtige ~) plantaardig plantage planten plantgoed plantkunde plas plassen plastic plat (vlak, zonder reliëf, effen) plataan (Lat.: platanus) platina platstampen (bv. druiven, aardappelen,...) plattekaas platteland, op het ~ plechtig (feestelijk) plechtigheid pleegouder (voogd) plegen (bv. een moord ~) plein (marktplaats) pleister (gipsmortel) pleister (plakker op wonde) pleisteren plek (plaats) plezant (bv. een ~ feestje) plezier plezierig plicht ploeg (shift, bv. nacht~/dag~) ploeg (team) ploeg (werktuig) plooi plots (onverwacht) plots (plotseling, ineens, opeens) plotseling pluim plukken plukken (voltooide handeling) plus ( + ) Pluto podium poeder (grof ~, gruis, bv. was~) poeder (schmink~) poeder (zeer fijn ~) poep poep (anus) poepen (kakken) poepen (neuken) poes poetsen (kuisen) poetsen, tanden ~ poetsvrouw poëzie pogen poging Polen polijsten (schuren tot iets glad wordt) politicus politie politieagent politiebureau politiek politieker pollepel pols polsslag pomp pompbak pompelmoes pompen pompier pompoen poort poos poot (van een dier, enkel onderste deel) poot (van een dier, volledig) poot (van een meubel enz.) pop populair populier (Lat.: populus) porcelein portefeuille portemonnee portie portier Portugal poseren positie (locatie, aardrijkskundige ~) positie (rangorde) positief post (briefwisseling) postbode poster postkaart postkantoor postzegel pot (bv. bloempot) pot (kook~) pot (voor confituur enz.) potlood potvis prachtig praktijk praktijk, dokters~/ tandarts~ (spreekkamer) praktisch praktisch (vrijwel) praline praten precies (stipt, nauwkeurig) precies (net; bv. Hij is ~ dood.) prediken prediker preek prei premier prent presentatie presentator presentator (~ die alleen maar afleest) presenteren (voorstellen) president prestatie pret prettig priester (katholiek ~) priester (orthodox ~) priester (protestants ~) prijs (gewonnen ~, beloning) prijs (kost~) prijslijst prijzen (loven) prikkelbaar prikken primitief principe prins prinses prinsesseboon printer prioriteit privaat proberen (trachten) proberen (uitproberen) probleem procedure procent (%) proces proces (gerechtelijk ~) producent (fabrikant) producent (film~) produceren product (handels~, chemisch ~,...) product (wiskundig ~) productie proesten (<-> snuiven) proeven profeet professioneel professor profetie profijt profiteren prognose programma (bv. computer~) programma (bv. televisie~) progressief project projectiel projector prooi proper prospectus prostituee prostitutie protest protestant protesteren proton provincie pruik pruim pruimenbrandewijn prutsen (amateuristisch aan iets werken) prutsen (serieus knoeien) prutsen (slecht knutselen) pseudoniem psychiater psychisch psychologie psycholoog psychoterapeut puber publiceren publiciteit publiek pudding puin puist punaise punt (scherp einde, bv. ~ van een mes) punt (stip, leesteken . ) punt (waarde~) punt, rond ~ puntkomma (;) pupil purper put (bv. in de weg) put (diepe ~, gang, grot) put (water~) putten (bv. kracht ~ uit iets) puur (zonder toevoegsels) puzzel (leg~) pyjama pyromaan quiche (Servische ~) quiz quotiënt raad (advies) raad (bestuurs~ van bedrijf, ~ van wijzen,...) raad (gemeente~, provincie~, parlement,...) raadpleging raadsel raadselachtig raaf raam (enkel de omlijsting) raam (venster met ~) raap (knol~; Brassica rapa) raar (bv. een ~ probleem / ~ geluid / ~e reuk /...) rad (kermis~) rad (water~) radeloos raden (gissen) raden (juist ~; bv. Ik heb het getal geraden.) radiator radicaal (<-> gematigd) radijs radio ragout raken (aangrijpen; bv. die film heeft mij geraakt.) raken (aanraken) raken (treffen) raken, geraken (~ aan) raket (ruimtetuig) raket (tennis~) ram (mannelijk schaap) Ram (sterreteken) rammelen ramp rand rang (bv. militaire ~) rangschikken (bv. alfabetisch ~) rap rapen rapport (bv. een ~ indienen) ras rasp raspen rat rationeel rauw (<-> gaar) ravijn razen (razend tekeer gaan) razend reactie reageren realisatie realiseren realiseren, zich ~ realistisch realiteit rebel recensie recent recept receptie (feestje) receptie (in een hotel) recht (<-> krom) recht recht (bv. ~ hebben op iets) rechtbank rechtdoor rechter rechthoek rechtmatig rechts (<-> links) rechtsaf rechtschapen (braaf, deugdzaam) rechtstreeks (direct) rechtszaak rechtvaardig rechtvaardigen reclame reconstrueren record recyclage redactie redden redder redding rede, tot ~ brengen rede redelijk (verstandig) redelijk (tamelijk) reden redeneren reder ree reeds reëel reeks reflecteren reflectie reflector (~ op fiets) regel (bv. verkeers~) regel (gewoonte) regel (tekst~, lijn) regelen regeling regelmatig (geregeld) regelmatig (symmetrisch, volgens de regels) regen regenachtig regenboog regenen regenjas regenscherm regeren regering regionaal regisseur register reglement (propisi) reiger reiken (~ tot = gaan/komen tot) rein reinigen (kuisen) reis, Goede ~! reis reisbureau reispas reiszak reizen reiziger rek (om iets op te zetten) rekbaar rekenen rekenen, ~ op (iemand/iets) rekening (bv. ~ in restaurant) rekening (bv. bank~) rekenmachine rekken relatie (verhouding) relatief relevant reliëf religie rem remmen rendabel rendement (van werk) rennen rente reparatie repareren repeteren (~ voor een toneel/concert/...) reportage reporter reproduceren (bv. een tekst ~) reproduceren, zich ~ (zich voortplanten/vermeerderen) reproductie reptiel republiek reputatie reserve reserveren respect respecteren rest (overschot) restaurant restaureren resultaat reuk reus reusachtig revolutie revolver rib richten (in de gewenste richting zetten) richting ridder riem riem (broeks~) riet rietje (strootje) rij (bv. De mensen wachten in een ~.) rijbewijs rijden rijden, ~ met rijf rijk (<-> arm) rijk, ~ worden (zich verrijken) rijk rijkdom (<-> armoede) rijm (in gedicht) rijm (rijp, bevroren dauw) rijmen (dichten) Rijn rijp (fruit) rijp (persoon) rijst rijstpap rijststoofschotel rijzen (bv. deeg laten ~) rimpel ring (~weg) ring (juweel) ring (rondelle) ringvinger rinkelen (geluid van telefoon) riool risico riskant riskeren rit ritme ritssluiting ritueel rivaal rivier robijn robot roddel roddelen roeiboot roeien roeiwedstrijd roekeloos roem (faam) Roemenië roepen (iemand ~ om te komen) roepen (zeer luid spreken, schreeuwen) roer roeren roest roesten roet rogge rok roken (bv. sigaretten ~) roken (bv. vis/vlees ~) roker rol (~ spelen in) rol (bv. ~ wc-papier, plakband,...) rollade (met rijst,zuurkool,gehakt) rollen (bv. van pletwals, varkens in slijk,...) rollen (bv. van wiel, knikker,...) rollen, naar beneden ~ / duikelen rolluik rolschaats rolstoel roman romantisch rommel (oude brol, prullen) rommel (wanorde) rommelig romp (van lichaam) rond rond (bv. De aarde vliegt ~ de zon.) rond (omstreeks) ronddraaien (spinnen, tollen)(bv. De aarde draait rond.) ronde rondedans rondelle rondlopen (zomaar wat ~) rondom rondsnuffelen röntgenfoto rood rood (~ van haar; ros) rood, ~ woorden (door de zon) rood, ~ worden (van schaamte) roodachtig roodborst (Erithacus rubecula) roodgloeiend roodharig Roodkapje roofdier roofvogel rook room (gewone ~) room, zure ~ roomijs roos (bloem) roos (haarschilfertjes) rooskleurig rooster (fysiek ~) rooster (schema, bv. uur~) roosteren ros rosbief rosé rot (~te tand, ~ karakter,...) rot (bv. ~ fruit) rot (bv. ~ karakter,...) rotonde rots rotten rotzak roulette route routine rouw rouwen (~ om iemand/iets) rouwkledij (zwarte ~) roven roze rozemarijn rozijn rubber rug ruggegraat rugzak ruiken (afgeven van reuk; bv. Bloemen ~.) ruiken (door dieren, snuiven) ruiken (waarnemen van reuk door mens) ruiker ruil (bv. in ~ voor) ruilen ruim (bv. een ~ appartement) ruimte (kosmos) ruimte (plaats) ruimteschip ruimtetuig ruimtevaart ruis ruit (glazen ~) ruit (meetkundige figuur) ruiten (van kaartspel, bv. ~tien) ruitenwisser ruiter (berijder van een paard) ruiter (berijder van gelijk welk dier) rum rumoer rund rundvlees rups Rus Rusland Russin Russisch rust rustdag rusteloos rusten rustig rustig (gerust, kalmpjesaan, zonder verstoring) ruw (brutaal) ruw (onbewerkt, bv. een ~e diamant) ruw (ongeschaafd, oneffen, bv. ~e huid) ruzie ruziemaken saai (oninteressant) sabel saboteren sadist saffier saffraan (Crocus sativus) salade salade, "Servische" ~ (= gewoon gemengde ~) salade (~ van opgelegde groenten) salade, gemengde ~ met geraspte kaas salamander salami salaris saldo salon samen samendrukken (bv. lucht ~) samenleving samenstellen samenstelling (lijst van ingrediënten) samenwerking samenzwering sanctie sandaal sanitair sap sappig sarcastisch sardine saté (vlees op stokje) satelliet Saturnus saus saxofoon scampi (reuzengarnaal) schaaf schaafsel schaakbord schaakspeler schaakstuk schaal (~ van dier) schaal (schotel) schaal (van ei) schaal (van grafiek, landkaart,...) schaaldier schaambeen schaamlip schaamte (verlegenheid) schaamteloos schaap schaar schaars (bv. ~ gekleed) schaarste schaarste (in economie) schaats schaatsen schab schade (bv. storm~) schadelijk schaden schadevergoeding schaduw (lommerte) schaduw (vorm) schakel schakelaar schaken (schaak spelen) schamen, zich ~ (wegens slechts gedrag) schamen, zich ~ [voor](verlegen zijn [voor]) schandalig schande scharnier schat schatten schattig schatting schaven schede (~ van een zwaard) schede (vagina) schedel scheef (niet recht) scheel scheenbeen scheepvaart scheerapparaat scheermes (gilettemesje) scheermes (traditioneel ~) scheet scheiden (afzonderen, opzij zetten) scheiden (splitsen, van mekaar ~) scheiden (uit de echt ~) scheiding (afzondering, bv. ~ van kerk en staat) scheiding (het uiteengaan) scheikunde scheikundig scheikundige schelden scheldwoord schelen (bv. Dat kan mij niet ~!) schelp schema schemering, avond~ schenken schep (bv. een ~ ijs) scheppen (bv. water/zand/... ~) scheppen (creëren) scheren, zich ~ scherf scherm (beeld~ van pc, tv,...) scherm (projectie~) scherm (voor wind/zon/...) scherp (bv. een ~e hoek, punt) scherpen (bv. een mes ~) schertsen schets schetsen scheur scheuren (kapotgaan) scheuren (kapotmaken) scheut (ontkiemd zaad) schieten schijf (harde ~ van pc) schijf (plat rond voorwerp) schijn schijnbaar schijnen (stralen) schijnheilig schijten schijterij schil (~ van fruit) schild schilder (kunst~) schilder (stielman) schilderachtig schilderen (een muur ~/verven) schilderen (een schilderij ~) schilderij schilderkunst schildpad schillen schim schimmel (op kaas, muur,...) schip schipbreuk (bv. ~ lijden) schitterend schmink schnitzel schoeisel schoen schoenmaker schoffel schok (fysische ~) schok (psychologische ~) schokken (psychologisch) schokkend scholing schommel schommelen school (~ vissen) school (algemeen) school (lagere ~) school (middelbare/secundaire ~, algemeen) school (middelbare/secundaire ~, ASO, college) schooljaar schoon schoonbroer (broer van mijn vrouw) schoonbroer (echtgenoten van 2 zussen) schoonbroer (man van mijn zus) schoondochter schoonheid schoonheid (mooi meisje) schoonheidsspecialist schoonmaken (kuisen) schoonmoeder (moeder v.man) schoonmoeder (moeder v.vrouw) schoonvader (vader v.man) schoonvader (vader v.vrouw) schoonzoon schoonzus (vrouw van broer van mijn man) schoonzus (vrouw van mijn broer) schoonzus (zus van mijn man) schoonzus (zus van mijn vrouw) schoorsteen schoorsteenveger schoot (bv. op de ~ zitten) schop (~ met de voeten; stamp) schop (botte ~) schop (scherpe ~) schoppen schoppen, ~ tegen/op (bv. tegen een bal ~) schoppen (van kaartspel, bv. ~ zeven) schorpioen Schorpioen (sterreteken) schors schort schot (van wapen) schotel (gerecht, bv. dag~) schotel (schaal) schotel, vliegende ~ Schotland schouder schouw schouwburg schram schrappen (bv. een naam ~ uit een lijst) schreeuwen (luid kwaad roepen) schrift (bv. Latijns ~, cyrillisch ~, hiërogliefen~,...) schrift (schrijfboek) schrift, Latijns ~ schriftelijk (geschreven) schriftelijk (per correspondentie) schrijnwerker schrijven schrijver (algemeen, de ~ van iets) schrijver (serieus boeken~) schrik, ~ hebben van schrik schrikkeljaar schrikken schrikken (iemand) doen ~ schrobben schroef (van een schip, vliegtuig,...) schroef (vijs) schroevendraaier schroom schroot schudden schuif schuilen (bv. ~ voor de regen) schuilnaam schuilplaats (bv. schuilkelder voor bommen) schuim schuin schuiven schuld (financiële ~) schuld (morele ~) schuldig (~ aan een misdrijf) schuldig (bv. iemand geld ~ zijn) schuldige schuren (~ met schuurpapier o.i.d.) schuren (schrobben) schuur (echte ~ voor opslag van de oogst) schuurmachine schuurpapier schuw (bij mens) seconde secretaresse secretaris sector sedert seizoen seks sekse seksueel sekte selder (selderij) semester seminarie senaat senator sensatie sentimenteel september serie serieus sering serre serveren service Servië Serviër Servisch Servische sfeer (stemming) shampoo sieraad sieren sierlijk sigaar sigaret signaal significant sikkel silhouet silicium (Si) simpel sinaasappel sinds (bv. Hij rookt niet meer ~ juli.) Sinksen sint Sint-Vitusdag Sinterklaas sinus siroop (medicament) siroop (vruchten~) situatie situeren sjaal sjotten (1x; bv. tegen een bal stampen) sjotten (herhaaldelijk tegen een bal stampen) skelet ski skiën sla (krop~) slaaf slaan (~ om te knokken/vechten) slaan (kletsen, een oorvijg geven) slaan (kloppen, bv. op de muur ~) slaap, in ~ vallen slaap slaapkamer slaapzak slachten slachthuis slachtoffer slag (~ van hart/pols) slag (klap) slag (veldslag) slagader slagboom slagen (bv. voor een examen -) slagen (lukken, bv. De operatie is geslaagd.) slagen, ~ in (iets; bv. ~ in het leven) slagen, erin ~ (iets te doen) slager slagerij slagroom slak slang (darm; bv. tuin~) slang (reptiel) slank slap slapeloos slapen slaperig Slavisch slecht (<-> goed; bv. ~ karakter, ~e punten,...) slechter (<-> beter) slechts slechts (alleen maar) slee sleet slenteren slepen (bv. een auto ~) slet sleur sleutel (voor slot) sleutel (werktuig, engelse ~) sleutelbeen sleutelgat slib slijk slijk, glibberig ~ slijm slijmen (vleien om iets te verkrijgen) slijpen (bv. een diamant ~) slijpen (scherpen; bv. een potlood ~) slijper (potlood~) slijpschijf slijtage slikken slim (<-> dom) slimheid slinger (bv. van een klok) slip (onderbroek) slippen (~ op de weg) sloef slok slokdarm sloot (NL: smalle gracht, B: gracht) slopen slordig (~ persoon) slot, op ~ slot, op ~ doen slot (versterkt kasteel) slot (voor sleutel) slotenmaker Slovaak Slovakije Sloveen Sloveens Slovenië sluier sluipen (binnen~, in~) sluis sluiten (bv. een huwelijk / kontrakt [af]~) sluiten (iets ~, toedoen) sluiten (op slot doen, af~) sluiterknop (~ van een fototoestel) slurf slurpen sluw smaak smachten, ~ naar (iets/iemand) smakelijk (lekker) smakelijk! smaken, lekker ~ smal (<-> breed, bv. een ~le straat) smaller smaragd smeden smeergeld smeerlap smeermiddel smeken smelten smelten (volledig ~) smeren (bv. een boterham ~) smeren (bv. een fietsketting ~) smerig (van karakter/daad) smerig (vuil, vies) smid smijten smokkelaar smokkelen smoren smos smossen smoutebol snaar snaarinstrument snappen snee (snijwonde) snee (van brood, vlees,...) sneeuw sneeuwen Sneeuwwitje snel snelheid (vaart) sneuvelen snijbiet (Beta vulgaris var. cicla) snijden snijden (in meetkunde) snijder (snijmachine) snijpunt snoeien snoek snoekbaars (Lat.: Sander lucioperca) snoep snoepen snoepje snoer snor snorkelen snot snotneus (naïeve, onnozele jongen) snuffelen snuit snuiten (neus ~) snuiven (<-> proesten) snurken sociaal sociaal assistent socialisme socialist sociologie socioloog soep soep (dikke ~) soepel (buigzaam, vouwbaar) sofa soja sok soldaat (militair zonder rang) soldeersel (tin+lood+hars) solden solderen solidair solidariteit solist sollicitatie solliciteren som somber (bv. ~ gedrag, kleur,...) somber (bv. ~ weer) sommige (bv. ~ mensen) sommigen (bv. ~ houden daarvan.) soms somtijds sonate soort soort (~ volgens opvatting, kijk op de dingen) sopraan sorry sorteren souper souperen souvenir sowieso spaander, ~s spaanderplaat Spaans spaarbank spaargeld spaarzaam spade spagetti Spanje spannen (strekken, op~; bv. een draad ~) spannend (bv. een ~e film) spanning (elektrische ~) spanning (psychologische/lichamelijke~) spar spar (Servische ~ = Picea omorica) sparen (geld ~) sparen (iemand ~; ontzien) specerij speciaal (bv. een ~e behandeling / korting / ...) specialist (gespecialiseerde dokter) specialist (vakman) speeksel speelgoed (een stuk ~) speeltuin speer spek speken spektakel spel speld spelen (~ op een instrument) spelen (bv. voetbal ~) spelen (kinderbezigheid) spelen (veinzen) speleoloog speler spellen (letter per letter lezen) spelling spenderen (geld ~) sperma sperwer (Accipiter nisus) sperzieboon spiegel spiegelei spier spies spiesen (spietsen; doorboren met een spies) spijbelen spijker spijkerbroek spijsvertering spijt (berouw) spijt (verdriet, bv.: Tot mijn ~ ...) spijten (bv. Het spijt me dat ik gelogen heb.) spijten (bv. Het spijt me dat u lijdt.) spijtig (iets) ~ vinden spin spinazie spinneweb spion spionage spioneren spiraal spiritueel spit spits (drukste moment) spleet spleet (scheur, bv. in gletscher) splijten splinter splitsing (bv. ~ van een weg/rivier/...) splitsing (opdeling; bv. ~ van een land/woord/...) spoed spoeden, zich ~ spoedig spoel spoel (inductie~) spoelen (met water) spons spontaan spontaan (gemakkelijk, licht in de omgang) spook (geest van een dode) spoor, op het ~ komen spoor (trein~, tram~) spoor (voet~) spoorweg spoorwegmaatschappij sport sporter sportief sportschoen spotprent spotten (lachen met iemand) spottend spraakkunst spraakzaam (<-> zwijgzaam) sprakeloos (verstomd, aan de grond genageld) spreekwoord spreeuw spreiden spreken spreker spreuk springen (één keer ~) springen (herhaaldelijk ~) sprinkhaan sproeier (om veld te besproeien) sproet sprong sprookje spruit (meestal mv.: spruitjes) spruit (scheut, jong kindje) spuit spuitwater spullen spuwen staal (metaal) staal (monster) staan staart staat, in ~ zijn (tot iets) staat (land) staat (toestand) staatsburger staatshoofd stabiel (<-> labiel) stabiliteit stad stadhuis stadion stadium staken staking stal stam (van boom) stam (volk) stamboom stamelen stampen (~ met de voeten) stand (~ op een beurs, tentoonstelling,...) stand (bv. iemand van hoge ~) standbeeld standpunt (gezichtspunt; bv. Vanuit mijn ~ is dat goed.) standpunt (houding; bv. zijn ~ t.o.v. abortus) stang stank stap stapel stapelen (bv. hout ~) stappen staren start starten (beginnen) starten (op~, bv. een motor ~) station statistiek steeds steek (iemand) in de ~ laten steek (prik) steel (~ van een bloem/vrucht/...) steel (~ van een vork/hamer/...) steen steenbok Steenbok (sterreteken) steenbokskeerkring steengroeve steengruis steenkool steil stek (~ van plant) stekel steken (prikken) stekken stekker stekske stel (koppel) stelen stellen (poneren) stelling (bewering, veronderstelling) stelling (bouwconstructie) stelsel (systeem) stelselmatig stem stemmen (een instrument ~) stemmen (verkiezen) stemming (atmosfeer) stempel stenen (bv. een ~ trap/vaas/huis/...) ster sterfelijk sterfte sterk sterken sterkte sterrenbeeld (configuratie van sterren) sterrenhemel sterrenkijker sterrenkunde sterrenkundige sterrenwichelaar sterreteken (1/12 van de dierenriem) sterveling sterven steun (bv. geldelijke ~) steun (bv. in bouw; stut) steun (bv. morele ~) steun (bv. technische / krediet~, ~ voor gebruikers) steun (bv. voor voeten / hoofd /...) steunen (fysiek ~) op steunen (onder~, moreel ~) steunen, ~ op (rekenenen op) steur stevig stewardess stichten stichter stichting (het stichten) stichting (vereniging, organisatie) stiefdochter stiefmoeder stiefvader stiefzoon stiekem stiel stielman stier (mannelijk rund) Stier (sterreteken) stift stijf stijgen (aangroeien, bv. van aandelenkoers) stijgen (elegant ~, zweven) stijl stikken (borduren) stikken (ver~) stikstof (N) stil (<-> luid) stilstand stilte stimuleren stinken stip stipt stiptheid stoefen stoel stoelgang stoep stoer stoet stof (leer~) stof (materie) stof (textiel) stof (vuil) stofzuigen stofzuiger stok stollen (<-> smelten) stom (dom, idioot) stom (niet kunnende spreken) stomatoloog stomp (<-> scherp, bv. ~e hoek) stompen (in~; bv. in de gevangenis ~) stoof stoom stopcontact stoppen storen storing storing (weerkundige ~: storm, onweer,...) storm stormen stort storten (overmaken naar een rekening) stoten (een stoot geven) stoten, ~ op stotteren stout (<-> braaf) stouterik (nietsnut) stoven (garen in afgedekte pan) straal (~ vloeistof / gas) straal (~ zonlicht) straal (radius, ~ van een cirkel) straaljager straat straf (sterk) straf strafbaar straffen strafrecht strafschop straks (binnen enkele uren) stralen strand strategie strategisch streek (gebied) streek (kattekwaad) streep (dikke ~, bv. van tijger, zebra,...) streep (kort lijntje) streepje (verbindings~ / splitsings~, - ) strelen (aaien) streng streng, ten ~ste (bv. ten ~ste verboden) stress streven (~ naar iets) strijd strijden strijdlustig strijken strijkijzer strijkinstrument strijkplank strik (~ in een lint) strik (vlinderdas) striptease stripverhaal stro strofe stromen (weglopen van bv. water, tranen) stronk stront stroom (elektrische ~) stroom (water~ van regen) stroomkring stroop strop stropdas strot structuur struik struikelen struisvogel student studente studentin studeren studie (onderzoek) studie (opleiding) stuk (kapot) stuk (bv. 5¬ per ~) stuk (bv. een ~ hout, steen, zilver,...) stuk (deel, bv. een kwart, een vijfde) stuk (onderdeel) stuntman sturen (aan een stuur draaien) sturen (zenden) stuur subjectief (<-> objectief) subsidie substantief subtropisch succes succesvol suf suggestie suiker suikerbiet suikerziekte sultan superieur supermarkt superviseren supporter surfen symbolisch symbool symfonie symmetrisch sympathie sympathiek symptoom synagoge syndicaat synoniem synthetisch (<-> natuurlijk) systeem systematisch t-shirt taai (<-> broos) taak (opdracht) taak (plicht) taal taalkundige taart tabak tabel tachtig (80) tact tactvol tafel tafelkleed tafellaken taille tak takelwagen taks talent (gave) talloos talmen talrijk tam (<-> wild) tamelijk tampon tand tandarts tandenborstel tandenstoker tandpasta tandwiel tang tangens tank (benzine~) tank (legervoertuig) tante (vrouw v.broer v.moeder) tante (vrouw v.broer v.vader) tante (zus v. vader of moeder) tapijt (algemeen) tapijt (handgeweven met speciaal patroon) tappen (~ van een vat) tarief tarwe tas (draag~) tas (kopje) tastbaar (bv. een ~ resultaat) tasten taverne taxi taxus te (voor inf., bv. "Hij zit te eten") te (~ veel, ~ groot,...) te (plaatsbepaling, bv. Geboren ~ Antwerpen) team techniek technieker technisch technologie teder teef (vrouwelijke hond) teek teelbal teelt (kweek) teen teer (gemakkelijk kapotgaand) teer tegel tegelijk (tegelijkertijd) tegen (contra, anti) tegen (dichtbij; bv. ~ het einde van de dag) tegen (in aanraking met) tegen (in omgekeerde richting) tegen (jegens) tegen (rond; bv. Hij komt ~ 5 uur.) tegen (tegengesteld aan) tegen (ten laatste; bv. Dat moet ~ vrijdag af zijn.) tegendeel (tegenovergestelde) tegengesteld (~ in waarde, ~e zin,...) tegengestelde (bv. -5 en +5 zijn ~en.) tegengif tegenhouden (iets/iemand ~) tegenkomen (2 personen die mekaar ontmoeten) tegenkomen (iets onderweg ~, bv. problemen) tegenover (aan de overkant van de straat) tegenover (jegens) tegenover (positioneel ~) tegenslaan tegenslag tegenspraak tegenspreken tegenstand (weerstand, verzet) tegenstander tegenstelling tegenstrijdig tegenvallen tegenwind tegenwoordig (aanwezig) tegenwoordig (huidig) tegenwoordig (nu, deze dagen) tegenzin, met ~ teken tekenen (een tekening maken) tekenen (handtekening zetten, onder~) tekenfilm tekening tekort (<-> teveel) tekortkoming tekst telefoneren telefoon telefoonboek telefoonnummer telen (van dieren) telen (van gewassen) telescoop teleurstellen teleurstelling televisie televisietoestel teljoor telkens (elke keer) tellen telwoord temmen (tam maken) tempel temperament temperatuur tempo tenger tenlaatste tenminste (minstens) tennis tenor tenslotte (uiteindelijk) tent tentoonstellen tentoonstelling tenvroegste tenzij tepel ter (bv. ~ wereld) teraardebestelling terecht (met recht en rede) terechtkomen terechtstellen terloops term termijn (bv.: op ~) terras terrein terreinwagen terreur territorium terrorisme terrorist terug (naar punt van vertrek) terugbrengen teruggetrokken terughoudend (afstandelijk, voorzichtig met contact) terugkeren (<-> vertrekken) terugkomst terugtrekken (bv. Het leger zal zich ~.) terwijl test testament testament (het Nieuwe/Oude ~) testen testis tet teugel teveel (<-> tekort) tevens tevergeefs (vruchteloos, zonder succes) tevergeefs (voor niks) tevoren, van ~ tevreden (voldaan) tevredenstellen (iemand ~) tewerkgesteld tewerkstellen tewerkstelling textiel thans theater thee theepot thema theorie therapie thermometer thesis thriller thuis (bv. Hoe laat kom je ~?) thuis (bv. Mijn ~ is waar mijn ... staat!) thuisland ticket tien (10) tien (een ~ op het rapport; lijn ~ van tram/bus) tiende (de ~) tiet tijd tijd (enige ~, poos) tijd (onvoltooid tegenwoordig) toekomende ~ tijd (onvoltooid) tegenwoordige ~ tijd (onvoltooid) verleden ~ tijdbom tijdelijk tijdens tijdgenoot tijdig tijdperk tijdschrift tijdspanne tijdstip (moment) tijdverlies tijger tijm tijpen tikken (bv. tegen het venster ~) tillen timmerman tin (Sn) tiran titanium (Ti) titel (aanspreek~, bv. generaal, monseigneur,...) titel (bv ~ van een boek, krantekop, film,...) toast (warme snee geroosterd brood) toch tocht (trek~) tocht (wind in huis) toe toe (naar ~) toedoen toegang (mogelijkheid om binnen te geraken; bv. ~ krijgen) toegang (plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan) toegangscode toegankelijk toegeeflijk toegelaten (<-> verboden) toegeven (erkennen) toegeven (zwichten) toegewijd toejuichen (iemand ~) toekennen toekijken toekomst toekomstig toelaten (<-> verbieden) toelating toen (destijds) toen (bv. ~ ik klein was,...) toename toenemen toenmalig toepassen toepassing toer (beurt) toer (ronde) toerisme toerist toernooi toeschouwen toeschouwer toespeld toespeling toespraak toestaan toestand (staat) toestel toestemming toeter (claxon) toeteren toetreden toets (~ van een computer) toets (~ van een klavier) toets (test) toetsenbord toeval toevallig toevertrouwen toevlucht toevoegen (iets ~ aan iets) toevoeging toezicht, ~ houden toezicht tof toilet (WC) tol (draaiend speeltuig) tol (wegen~) tolerant tolerantie tolereren tolk tomaat ton (1000kg) ton (vat) toneel toneelspelen toneelstuk tonen tong (mondorgaan) tong (vis) tonijn toon toonbank toondichter toonzaal toorts toost toosten top topaas toppunt (bv. Het ~ van dwaasheid) toren toren (~ van schaakspel) tornado tortelduif tot, ~ nog toe tot, ~ voor kort tot (bv. Ik wacht ~ je klaar bent.) tot (bv. ~ ziens!) tot (bv. de aanleiding ~ ...) tot ziens totaal tournee touw (gewoon juten ~) tovenaar toveren traag (<-> snel) traag traan traangas trachten tractor traditie traditioneel tragedie tragisch trainen trainer (coach) training trakteren tralie tram trance transformator transistor transparant transpireren transport transporteren transporteur trap trap, overtreffende ~ trap, vergrotende ~ trappen (stampen/schoppen, bv. ~ tegen een bal) trappen (voeten neerzetten) trauma trechter trede treffen (bv. Dat treft, dat u hier bent!) treffen (een doel ~, erop zijn) trein treiteren trek (honger en zin) trek (penne~) trekken (<-> duwen) trekken (rond~, een trektocht maken) trekken (uithalen, bv. een tand ~) trekken, ~ op trekken, ~ uit trekker (~ van een geweer) trekking (~ van bv. een loterij) trekvogel treuren treurwilg (Salix babylonica) treuzelen tribune triestig trillen trilling triomf triplex troebel (<-> helder) trofee troffel trolleybus trombone trommel (~ van bv. een wasmachine) trommel (instrument) trompet trompetspelen troost troosten tropisch trots (bv. Papa is ~ op zijn zoon.) trots trottoir trouw (getrouw, echt; bv. een ~e kopie) trouw (toegewijd) trouw trouwen trouwen (man vindt vrouw) trouwen (vrouw vindt man) trouwens (bv. ~, weet je dat hij getrouwd is?) trui trui (lichte ~, "sweatshirt") truweel Tsjechië tube tuin tuinier tuinslang tulp (Lat.: tulipa) tunnel turbine turf Turk Turkije Turks turnen turntoestel tussen (echt ~ twee in) tussen (onder; bv. Hij is graag ~ de mensen.) tussendoortje tussenschot tussentijd (bv. in ~) tut twaalf (12) twee (2) twee (een ~ op het rapport; lijn ~ van tram/bus) tweede (2de in rangorde) tweede (1/2) tweehonderd (200) tweeling Tweelingen (sterreteken) tweetal twijfel (argwaan) twijfelen (aarzelen) twijfelen, ~ aan ... (wantrouwen) twintig (20) twist twisten type typisch typist u (bv. Ik geef ~ iets.) u (bv. Ik zie ~.) u (bv. U wast ~.) u (onderwerp) ui uier uil uit (<-> aan) uit uit (van welk materiaal; bv. ~ goud) uitademen uitbarsting uitbeelden uitblijven (achterwege blijven) uitbreiden (bv. samenwerking/kennis/een systeem/... ~) uitbrengen (bv. een product/een idee ~) uitbroeden uitbuiten uitdagen uitdagend (gewaagd) uitdaging uitdoen (kleren ~) uitdrukkelijk uitdrukken (uiten) uitdrukking (gezegde) uitdrukking (uiting, expressie, bv. ~ van goede wil) uiteindelijk uiten (bv. een klacht/verwijt ~) uiten, zich ~ uiteraard uiterlijk (aan de buitenkant, uitwendig) uiterlijk uiterst uiterste uitgaan (bv. naar dancing, restaurant,...) uitgang uitgave (editie) uitgave (geld~) uitgebreid uitgeput uitgerekend (juist, net) uitgeven (boeken ~, publiceren) uitgeven (geld ~) uitgever uitgezonderd (behalve) uitglijden uithollen (uitkappen, uitdiepen) uithouden (bv. druk/pijn/... ~) uithoudingsvermogen uiting (bekendmaking; bv. ~ van liefde/dankbaarheid/...) uiting (expressie; bv. ~ van goede wil) uitkiezen uitkijken (oppassen) uitkleden, zich ~ uitkomst (resultaat) uitlaat uitlachen uitlachen (iemand lichtjes ~) uitladen (<-> inladen) uitleg uitleggen uitlenen (~ aan...) uitloggen uitmaken (iemand ~) uitnodigen uitnodiging (bv. ~ voor een huwelijksfeest) uitpersen (bv. een citroen / appelsien,... ~) uitrekenen uitroeien uitroepen (bv. iemand tot president ~) uitroepteken (!) uitrusten uitrusting (bv. een duik~, kampeer~,...) uitschakelen (afzetten) uitschelden (iemand ~) uitschenken uitschuiven uitslag (huid~) uitslag (resultaat) uitsluiten (bv. een speler ~ uit het spel) uitsluitend uitspelen (bv. een spel ~) uitspraak (bekendmaking) uitspraak (bewering; wiskundige, logische ~) uitspraak (gerechtelijke ~, vonnis) uitspraak (manier van uitspreken) uitstaan (bv. Ik kan hem niet ~.) uitstalraam uitstap uitstekend (zeer goed) uitstel uitstellen uitsterven uitstrekken, zich ~ (tot/over) uittrekken (kleren ~) uittreksel, ~ uit het geboorteregister uitvaart uitvallen uitverkoop uitverkoren uitvinden uitvinder uitvinding uitvissen (iets ~) uitvlucht uitvoer uitvoeren (bv. een werk ~) uitvoeren (een werk / programma ~ (tot het einde)) uitvoeren (exporteren) uitwerpselen (gewoonlijk van dieren) uitwijkeling uitwissen (bv. gegevens ~, bv. met een gom) uitwringen (bv. een doek ~) uitzenden uitzending uitzetten (<-> krimpen) uitzicht (bv. ~ op een landschap) uitzicht (uiterlijk van een persoon) uitzien, ~ naar (iets/iemand) uitzondering uitzonderlijk unie (bv. ~ van 2 verzamelingen, bv. Europese ~) uniek (enig) uniform uniform (bv. leger~, politie~, school~ universeel universiteit universum uranium (Uraan, U) Uranus urine urineren uur (60 minuten) uurwerk uw uw (meewerkend voorwerp) uzelf (bv. U ziet ~ in de spiegel.) vaag (onduidelijk) vaag (oppervlakkig; bv. Ik ken hem ~.) vaak (dikwijls) vaak vaart vaarwel! vaas vaat, de ~ doen vaatwasser vaccinatie vacht (~ van een schaap) vader vader, ~ van schoonzoon/schoondochter vaderland vagina vak (beroep) vak (onderverdeling, veld op spelbord/scherm) vak (op school) vakantie (bv. op jaarlijkse ~) vakantie (school~) vakbond vakkundig vakman val (bv. ~ van een rijk, een persoon) val (bv. muize~) val (het naar beneden vallen) valies valk vallei vallen valling vals (<-> echt; kunstmatig; bv. een ~ gebit) vals (gelogen; bv. een ~e getuigenis) vals (kwaadaardig) valscherm valstrik vampier (mythisch wezen) vampier (vleermuis) van (~ op; bv. ~ de grill) van (afkomstig uit) van (behorend bij; bv. Dat is ~ mij.) van (bestaande uit) van (vanaf, vanuit; bv. Dat idee komt ~ mij.) van (volgens; bv. Ik moet ~ de dokter.) van, ~ ... tot/naar vanaf, ~ nu vanalles vanavond (deze avond) vandaag (deze dag) vandaag, van ~ vandaal vandalisme vangen (vatten, bv. een dief ~, een bal ~) vangen (vatten, bv. een dief ~, een bal ~)(handeling) vangen (vis, wild,... ~) vangst vanille vanmorgen (deze morgen) vannacht (deze nacht) vanwaar (bv. ~ de drukte?) vanwege vanzelf vanzelfsprekend varen variatie varieren varken varkensvlees (vettig ~ in stukjes) vast (bv. werk) vast (hecht, ferm, <-> los; bv. ~e knoop, ~e band) vast (op slot) vastberaden vasten vasthouden vasthouden, zich ~ vastkleven vastleggen (bestemmen) vastleggen (overeenkomen over, afspreken) vastleggen (plannen) vastmaken vastplakken vaststellen vat (alg. recipiënt) vat (ton) vatten (vangen) vechten (knokken) vechten (met wapens ~ / figuurlijk) vee veel (bv. Hij kan ~ eten.) veel (vaak, dikwijls) veel (bv. ~ mensen) veelzijdig veenbes veer (~boot) veer (elastisch object) veer (pluim) veerboot veertien (14) veertig (40) veeteelt vegen (met borstel op~) vegetariër vegetarisch veilig (<-> gevaarlijk) veiligheid veiligheidsgordel veiligheidsspeld veiling veinzen vel (~ van een dier/mens) veld (~ op spelbord, tabel, scherm,...) veld (bewerkt ~ voor landbouw) veld (bv. elektrisch ~) veld (onbewerkt ~, bv. bloemen~) velen (bv. ~ zijn geroepen.) venijnig vennoot vennootschap, naamloze ~ venster vensterbank vent ventiel ventilatie ventilator Venus ver veraf (<-> dichtbij) verafschuwen veranderen veranderen (retoucheren) verandering verandering (retouche) verantwoordelijk verantwoordelijkheid verassen (cremeren) verassing verbaasd verband (verbinding, link, bv. wiskundig ~) verband (verpleegkundig ~) verbandkist verbannen verbazen verbeelding verbergen verbeteren (beter maken/worden) verbeteren (rechtzetten) verbetering (betere toestand) verbetering (correctie) verbieden (<-> toelaten) verbinden (aaneenknopen/plakken/...) verbinden (verenigen, bv. telefoon, ei+zaad) verbinding (bv. ~ met lijm/cement/...) verbinding (bv. telefoon~) verbinding (verband) verbleken verblijf verblijven verblinden verbod verboden (<-> toegelaten) verbond verbouwen (telen) verbouwen (veranderen aan een huis) verbranden (~ van de zon) verbranden (actief; bv. Ik verbrand het hout.) verbranden (passief; bv. Het hout verbrandt in de stoof.) verbreken (onderbreken) verbruik (consumptie) verbruiken (bv. benzine/water/stroom/... ~) verbruiker verbuiging (van zelfst.naamwoord) verdacht (~ van aard, raar uitziend,...) verdacht (onder verdenking) verdachte verdampen verdedigen verdediging verdelen (bv. kaarten ~) verdelen (distribueren) verdenken verder verderfelijk verdergaan verdienen (~ wegens goedheid, waard zijn) verdienen (bv. geld ~) verdienste (goede daad, merite) verdienste (verloning) verdienstelijk verdieping (~ van een gebouw) verdorie! verdoven (onder verdoving brengen) verdoving verdraagzaam verdraagzaamheid verdraaien verdrag verdragen verdriet verdrietig verdringen (onderdrukken, wegsteken) verdrinken (dooddoen door verdrinking) verdrinken (sterven door verdrinking) verduistering (~ van geld) verduistering (zons~, maans~) verdunnen verdwalen (de weg kwijtraken) verdwenen verdwijnen vereenvoudigen vereffenen (bv. schulden ~) Verenigde Staten van Amerika verenigen vereniging verergeren verf (haar~) verf (muur~) verfrissen verfrissend vergaderen (een vergadering houden/hebben) vergadering vergankelijk vergeefs vergelijken vergelijking vergelijking (wiskundige ~, A=B) vergeten vergeven (met vergif ~) vergeven (pardonneren) vergif vergiftigen vergiftiging vergissen, zich ~ (een fout maken waar men spijt van heeft) vergissen, zich ~ (verstrooid zijn) vergissing vergrootglas vergroten (groter maken) vergroten (groter worden) vergroting (bv. ~ van een foto) vergunning verhaal verheffen (bv. zijn stem ~) verhemelte verheugd verheugen verheugen, zich ~ (zich verblijden) verheugend (bv. ~ nieuws) verhinderd verhinderen (voorkomen) verhouding, in ~ tot/met verhouding (~ van getallen, breuk) verhouding (relatie) verhuizen verhuren (immobiliën ~) verhuur verjaardag verjagen verjaren verkeer verkeerd verkeersbord verkeerslicht verkeersopstopping verkiezen verkiezing verklappen (bv. een geheim ~) verklaren (bekendmaken) verklaren (duidelijk maken) verklaring (bv. bij politie) verklaring (uitleg) verkleinen (kleiner maken) verkleinen (kleiner worden) verkleinwoord verknoeien verkoop verkopen verkoper verkoudheid (lichte ~) verkoudheid (zware ~) verkrachten verkwisten verlagen, bv. prijzen ~ verlamd verlangen (~ naar) verlangen (lust) verlaten (weggaan van, laten) verleden (vorige) verleden (<-> toekomst) verlegen (bv. ~ om op een podium te komen) verleidelijk verleiden verleider verleiding verlengen verlichting (bv. de ~ van de wegen) Verlichting (filosofische & politieke beweging) verlichting (inrichting van alle lampen in bv. een gebouw) verlichting (spirituele ~) verliefd verliefd, ~ worden verlies verliezen (<-> winnen; bv. een spel, oorlog,...~) verliezen (1x ~ / kwijtraken, bv. een sleutel ~) verliezen (regelmatig ~ / kwijtraken) verlof (jaarlijkse vakantie, rust) verlokken verlokking verloochenen verloofde (mannelijk) verloofde (vrouwelijk lief) verloop verlopen (verstrijken) verloren (iets ~ zijn) verloskundige verlossen verlossing verloven, zich ~ verloving vermaak vermaard vermageren vermakelijk vermaken vermanen vermenigvuldigen (een vermenigvuldiging maken) vermenigvuldigen (herhaaldelijk rekenkundig ~) vermenigvuldigen, zich ~ vermijden (iets/iemand~ / uit de weg gaan) verminderen (<-> vermeerderen) verminken verminken (in het gezicht ~) vermoedelijk vermoeden (veronderstellen) vermoeien vermoeiend vermogen (bv. Hij heeft het ~ om de toekomst te zien.) vermommen vermoorden (iemand ~) vernederen vernemen (informatie bekomen) vernemen (van iemand ~) vernielen vernietigen vernis veronderstellen veronderstelling verongelukken verontrust verontschuldigen, zich ~ verontschuldiging verontwaardigd veroordelen veroordeling veroorzaken verouderen veroveren (bv. een land ~, een hart ~) verovering verpakken verpakking verplaatsen verplanten verpleegster verplegen verplicht verplichten verplichting verraad verraden (bv. een geheim ~ / verklappen) verraden (bv. een vriend ~) verrader verrassen verrassing verrekijker verrichten (een transactie ~) verrichten (iets ~, maken tot het af is) verroeren verrukkelijk vers verscheidene verschieten verschieten, doen ~ verschijnen verschijning verschijnsel verschil (kwalitatief ~) verschil (kwantitatief, bv. ~ tussen 8 en 6) verschillen (Bv. Zij ~ erg veel.) verschillend verschillende (verscheidene die niet gelijk zijn) verschrikkelijk (bv. ~ goed) verschrikkelijk (erg) verschrikkelijk verschuilen verschuiven verschuldigd verschuldigd, ~ zijn versie versieren (decoreren met bv. schilderijen) versieren (tooien voor een speciale gelegenheid) versieren (verleiden) versiering verslaafd (bv. ~ aan drugs) verslaafde (bv. drank~, drug~,...) verslaan (een verslag maken) verslaan (overwinnen) verslag verslechteren verslensen versleten verslijten versmossen versnellen versnipperen versperren verspillen verstaan (begrijpen) verstaan (woorden goed kunnen horen) verstaanbaar verstand, ~ hebben van (iets) verstand (brein, intellect) verstandig (redelijk) verstandig (slim) versteend versterken (aanspannen, verstraffen,...) versterken (bv. muziek elektronisch ~) versterker verstillen verstomd (sprakeloos, aan de grond genageld) verstoppen (1x verbergen; bv. snoep ~ voor de kinderen) verstoppen (langdurig verbergen) verstoppen (van neus, wc,...) verstoren verstrijken (Bv. Het ultimatum is verstreken.) verstrooid verstroppen verstuiken vertalen vertaler vertaling vertegenwoordigen vertegenwoordiger vertellen verteren (eten ~ in de maag enz.) verteren (psychologisch) verticaal vertonen (bv. een film / toneelstuk ~) vertoning vertragen vertraging (<-> versnelling) vertraging (oponthoud; bv. De trein heeft 5 min. ~.) vertrek (begin van een reis) vertrekken (bv. een reis aanvangen) vertrouwelijk vertrouwen (iemand/iets ~) vertrouwen, ~ hebben in (iemand/iets) vertrouwen, ~ op (iemand/iets) vertrouwen veruit vervaardigen verval vervallen (in stukken uiteenvallen van bv. een lijk) vervallen (langzaam ~ door verwaarlozing, bv. van een huis) vervalsen (namaken) vervalsing (namaak) vervangen vervanger (plaats~) vervelen vervelend (naar, onplezant) vervelend (saai, monotoon) verveling verven verven (een muur ~) verven (haar ~ of bv. een deur/hek lakken) vervloeken vervoeging (van werkwoord) vervoer vervoeren vervolg vervormen vervuild vervuilen vervuiling vervullen (bv. een wens ~) verwaand verwaarlozen (buiten beschouwing laten) verwaarlozen (geen aandacht geven) verwachten (bv. iets ~ van...) verwachting, in ~ verwachting verwant (alleen figuurlijk) verwante (bloed~) verwantschap verward verwarmen (warmer doen worden) verwarming verwarren (figuurlijk in de war geraken) verwarren (letterlijk in de knoop/war geraken) verwarren (verwisselen; bv. Ik verwar hun namen altijd.) verwarring verwelken verwennen (vertroetelen) verwerken (letterlijk, bv. grondstof ~) verwerking verwerking (~ van gegevens) verwerven verwezenlijken verwezenlijking verwijderen (op afstand brengen) verwijderen (wegdoen, bv. een tumor ~) verwijderen, zich ~ verwijt (verwijtende gedachten) verwijt (verwijtende woorden) verwijten (~ en het zeggen) verwijten (kwalijk nemen) verwijzen (~ naar) verwittigen (~ voor gevaar, waarschuwen) verwittigen (even iets melden) verwittigen (informatie verstrekken) verwittiging (waarschuwing) verwonden verwonderen (bv. Dat verwondert mij!) verzamelen (bijeenbrengen) verzameling (collectie) verzameling (wiskundige ~) verzekering verzenden (opsturen) verzending (het verzenden) verzet (weerstand) verzetten, zich ~ (tegen iets/iemand) verziend verzinnen verzinsel verzoek verzoeken verzoenen (vrede stichten) verzorgen vest vestigen, zich (ergens) ~ vesting vet (<-> mager) vet veter (schoen~) vettig veulen vezel vezelig via videorecorder vier (4) vier (een ~ op het rapport; lijn ~ van tram/bus) vierde (de 4de) vierde (1/4) vieren (bv. een verjaardag, diploma, promotie,... ~) vieren (een officiële feestdag ~) vierhoek vierhoekig vierkant (vierkantig) vierkant viertal vies vijand vijandig vijandschap vijf (5) vijf (een ~ op het rapport; lijn ~ van tram/bus) vijfde (de ~) vijftal vijftien (15) vijftig (50) vijg vijgenboom (Lat:. ficus) vijl vijlen vijs vijver villa villen (huid afstropen) vilt vin vinden (aantreffen) vinden (van mening zijn) vindingrijk vindplaats vinger vingerafdruk vingerhoed vink (Fringilla coelebs) violet violist viool (muziekinstrument) viooltje vis visceus visioen vislijn visrestaurant vissen (hengelen) Vissen (sterreteken) visser vissoep visum visvijver vitamine vlaai (vruchtentaart) Vlaams Vlaanderen vlag vlak (plat) vlak vlakbij vlakte vlam Vlaming vlas (Linum usitatissimum) vlecht vlechten vleermuis vlees vleesnat vleien vleier vlek vleugel (~ van een gebouw) vleugel (~ van een vogel/vliegtuig) vlieg vliegen vliegtuig vliegveld vlier (Lat.: Sambucus) vlies vlijtig vlinder vlo vloed (hoog tij, <-> eb) vloeibaar (bv. ~e toestand) vloeien (stromen) vloeiend (bv. ~ spreken) vloeistof vloek vloeken vloer vloot vlot (~ sprekend) vlot vlucht (ontvluchting) vlucht (van vliegtuig/vogel) vluchteling vluchten vluchtig (snel en oppervlakkig) vlug vocht vochtig vochtigheid vod voeden (eten geven) voeding (elektronica) voeding (voedsel) voedzaam voeg voegwoord voelen voer (vee~ voeder) voering voertuig voet, te ~ voet voetbal voetballen voetballer voetbalveld voetbalwedstrijd voetganger voetpad vogel vol voldaan (voldoende gehad) voldoende voldoende (bv. Hij heeft ~ gewerkt.) voldoening (bv. Ik heb veel ~ van dit werk.) volgeling volgen (achternagaan, begeleiden) volgen (zich houden aan) volgend volgens (bv. ~ hem ben ik mooi.) volgens (in overeenstemming met; bv. ~ de voorschriften) volgorde volgzaam volharden (doorzetten) volhardend volhouden (doorgaan met; bv. monogamie/een mandaat/... ~) volk (van een land of streek) volk (veel mensen) volkslied volksvertegenwoordiger volledig volleybal volmaakt volmacht volop volslank (eufemisme voor "dik") voltmeter voltooid voltooien (bv. Hij heeft zijn studies voltooid.) voltooiing (bv. van werken, studies,...) volume volwassen vondst vonk vonnis (bv. een ~ vellen) voogd voor (vooraleer, voordat) voor (~ tijdstip in uren, bv. tien ~ vijf) voor (~ zoveel tijd; bv. We gaan ~ een maand.) voor (<-> achter) voor (<-> na) voor (bv. - iemand) voor (bv. bedanken ~ iets) vooraan vooraanstaand vooraf (bv. ~ betalen) vooral (in het bijzonder) vooraleer vooravond, op de ~ van voorbaat, bij ~ (bv. Bij ~ dank!) voorbarig voorbedacht, met ~en rade voorbeeld voorbeeldig voorbehoedsmiddel voorbereiden, zich ~ voorbereiding voorbij (afgelopen) voorbij voorbijgaan (bv. (aan) iemand ~) voorbijgaand voorbijganger voorbijsteken (inhalen en ervoor rijden/gaan/...) voordeel (<-> nadeel) voordeur voordien voordoen (tonen hoe iets moet gedaan worden) voordoen, zich ~ (gebeuren) voordoen, zich ~ als voordracht voordragen (bv. een gedicht ~) voorgerecht voorgoed (voor altijd) voorgrond voorhand, op ~ (bv. op ~ betalen) voorhoofd vooringenomen voorjaar voorkant voorkeur voorkomen (tt.; bv. Hij komt mij bekend voor.) voorkomen (veel/weinig:.. ~) voorkomen (vt.; bv. Hij kwam mij bekend voor.) voorkomen (zorgen dat iets niet gebeurt, verhinderen) voorkomend, veel ~ voorlezen (volledig ~, proclameren) voorlopig voormalig voormiddag voornaam voornaamwoord voornaamwoord, aanwijzend ~ voornaamwoord, betrekkelijk ~ voornaamwoord, bezittelijk ~ voornaamwoord, onbepaald ~ voornaamwoord, persoonlijk ~ voornaamwoord, vragend ~ voornaamwoord, wederkerend ~ voornemen (niet uitgewerkt plan) vooroordeel voorouder voorraad voorrang voorruit voorschot voorschrift (~en, reglement) voorschrift (dokters~) voorschrijven (bv. een regel, medicijn ~) voorspel voorspellen (bv. met kristallen bol ~) voorspellen (voorzien) voorspelling (profetie) voorspelling (prognoze) voorspoed voorsprong voorst (<-> achterst) voorstander voorstel voorstellen (opperen) voorstellen (presenteren) voorstelling (bv. theater~) voortaan voortdoen, ~ met ... voortdurend voorteken voortplanten, zich ~ (zich vermeerderen) voortplanting (vermeerdering) voortreffelijk vooruit (<-> achteruit) vooruitgaan (vorderen) vooruitgaan (zeer traag ~) vooruitgang vooruitstrevend voorval voorvallen (gebeuren) voorvoegsel voorwaarde, op ~ dat voorwaarde voorwaardelijk voorwaarts voorwerp voorwoord voorzetsel voorzichtig voorzien (voorspellen) voorzien, ~ van (verstrekken; bv. iemand van geld ~) voorzitter voorzorg voorzover (bv. ~ ik weet,...) vorderen (vooruitgang maken) vorig vork vorm vorm (giet~, voor metaal, deeg,...) vormen (figuurlijk, bv. een regering ~) vormen (letterlijk iets vorm geven) vorming vorsen vorser vorst (koning o.i.d.) vorst (kou) vos vouw (geperste plooi in rok) vouw (geperste plooi) vouwen (plooien+persen) vraag vraag (economische ~; ~ en aanbod) vraaggesprek vraagstuk vraagteken (?) vracht vrachtwagen vragen vrede vredelievend vredig vreemd (van ander land) vreemd (zonderling, bv. ~ accent / ~e manier / ~ ontwerp) vreemde (buitenlander) vreemde (eigenaardige mens, zonderling) vreemde (onbekende) vreemdeling vreemdelinge vrees vrek vreselijk vreten vreugde vrezen (iemand/iets ~) vrezen, ~ voor ... (bv. de toekomst) vriend (<-> vijand) vriendelijk (bv. ~ gedrag, kameraadschappelijk) vriendelijk (bv. een ~ persoon) vriendelijkheid vriendenkring vriendin vriendschap vriendschappelijk vriezen vrij (<-> gevangen) vrijaf, ~ hebben vrijdag vrijdag, Goede ~ vrijen vrijgevig vrijgezel vrijheid vrijlaten (loslaten uit gevangenschap) vrijwel vrijwillig vrijwilliger vrijzinnig vroedvrouw vroeg (<-> laat) vroeger vroeger (<-> later) vrolijk vrouw vrouw (echtgenote) vrouwelijk vrouwenarts vrucht (algemeen) vrucht (fruit) vruchtbaar vruchtbaarheid vruchteloos vuil (<-> proper) vuil (vuilnis) vuilbak vuilnis vuilnisbak vuilnisbelt vuist vulgair vulkaan vullen vulling (bv. inkt~) vulling (tand~) vulpen vuren (~ met een wapen) vurig vuur vuurtoren vuurwerk waaien waaier waakhond waakzaam Waal waan waanbeeld waanzin waanzinnig waar (<-> onwaar) waar (bv. ~ bevind je je?) waar, ~ naartoe waar, van ~ waaraan (bv. ~ denk je?) waaraan (van wat; bv. ~ is hij gestorven?) waarborg waard, ~ zijn waarde waardeloos waarderen waardering waardevol waardig waardigheid waarheen waarheid waarheidslievend waarlijk waarmee waarnemen waarnemen (gadeslaan) waarneming (het waarnemen; perceptie; bv. de ~ van kleur) waarneming (observatie) waarom waarop (bv. Hij is iemand ~ je kunt rekenen.) waarover (bv. ~ gaat de tekst?) waarschijnlijk waarschuwen waarschuwing waaruit (van wat; bv. ~ is dat gemaakt?) waarvoor (voor wat) waas wablieft? wacht wachten wachtkamer wachtwoord wafel wagen wagen (auto) wagen (grote kar) wagon waken (~ over) waken (wakker zijn) wakker wakker, ~ maken wakker, ~ worden wal (bv. stads~) walgelijk walgen Wallonië walrus wals (dans) wals (tuig om te walsen, plet~) walsen (pletten, rollen) walsen (walsen dansen) walvis wandelaar wandelen wandeling wandelweg (promenade, wandelstraat) wang wanhoop wanhopen wanhopig wanneer, ~ dan ook; gelijk ~; ~ ... maar wanneer wanneer, sinds ~ wanneer, tot ~ wanneer (als) wanorde want wantrouwen (<-> vertrouwen, iemand/iets ~) wantrouwen (<-> vertrouwen) wapen (~ op een schild) wapen (vechttuig) wapenstilstand wapperen (~ van een vlag) waren warenhuis warhoofd (verward persoon) warm (<-> koud) warmte (<-> kou) was (bijen~) was (vuile kleren) wasdroger washandje wasknijper wasmachine wasplaats waspoeder wassen (groeien) wassen (reinigen) wassen, het gezicht ~ wassen, zich ~ wastafel wat (bv.: ~ is dat?) wat, met ~ wat (bv. Wil je ~ eieren kopen?) wat (welk) wat (hetgeen, ~ wat, bv.: Je bent ~ je eet.) wat (katoenen pluche) wat voor een water water, plat ~ (niet bruisend ~) wateren waterkant waterleiding waterlelie Waterman (sterreteken) watermeloen watermolen waterpas waterpolo waterput waterski (~sport) waterskieën waterstand waterstof (H) waterval watervogel wattenstokje (om oren te kuisen) wazig wc wc-papier we webpagina website webstek wedden wederzijds wedijveren (met...) wedloop wedstrijd (competitie, bv. zang~) wedstrijd (sport~, match) weduwe weduwnaar weefgetouw weefsel (biologisch ~) weefsel (textiel) weegschaal Weegschaal (sterreteken) week (slap) week weekblad weekdier weekeinde weelde weer weeral weerkaatsen weerkaatsing weerkunde weerleggen (het tegendeel bewijzen) weerstaan (bv. aan een verleiding ~) weerstand (elektrische ~, R=U/I) weerstand (elektrische component) weerstand (verzet) weerstand, ~ bieden (aan iets/iemand) weersvoorspelling weerwolf wees (~kind) weetgierig weg (afwezig) weg wegblijven, ~ van wegbrengen wegen (gewicht bepalen) wegen (gewicht hebben; bv. Ik weeg 70kg.) wegens weggaan (ergens naartoe gaan) weggaan weggooien weglopen (ontsnappen, bv. ~ uit de gevangenis) wegsmijten wegwijzer wei weide weigeren weinig weinig (raar of zelden) weinig weinigen wekelijks weken (in water week doen worden, bv. bonen ~) wekken wekker wel (<-> niet) wel (goed) wel (nou) weliswaar welke (Bv. ~ auto is dat?) welke, gelijk (de)~; ~ dan ook welkom! wellicht wellust wellustig welopgevoed (goedgemanierd) welslagen welvaart welzijn wenen wenkbrauw wenken wennen (aan iets ~) wens wensen wereld werelddeel wereldlijk wereldoorlog wereldwijd werf werk (baan) werk (karwei, opdracht, taak, daad) werk (oeuvre, verwezenlijking; bv. Het ~ van Picasso) werkdag werkelijk werkelijkheid werken werkgever werking werkloos (niet tewerkgesteld) werkloos (niets te doen hebbend, bv. technisch ~) werkloze werknemer werkonderbreking (staking) werkplaats werktuig werkvergunning werkwijze werkwoord werpen (gooien) wervel (rugge~) wervelstorm werven (bv. leden ~, steun ~,...) wesp westelijk westen (<-> oosten) wet wetboek weten weten, ~ te ... wetenschap (kennis) wetenschappelijk wetenschapper wetenswaardig wetgeving wettelijk wettig weven wezel (Mustela nivalis) wezen (kern) wezen (levend ~) wezenlijk whisky wie (aan ~ / tegen ~) wie (bv. ~ bent u?) wie (bv. ~ zie je?) wie (met ~?) wie (over ~?) wie (van ~?) wie, ~ ook, ~ dan ook, gelijk ~ wieden wieg wiel wielrenner wiens wier wierook (echte ~ van kerk) wierookstokje wig wij wijd (bv. ~ open) wijden, ~ aan wijf wijk wijken (opzij/uit de weg gaan) wijlen (bv. ~ mijn moeder) wijn wijnbouwer wijngaard wijnwinkel wijs wijsbegeerte wijsgeer wijsvinger wijze wijze (wijs persoon) wijzen (iemand op iets ~) wijzen, ~ naar wijzer wijzigen wijziging wikkelen wil, van goede ~ zijn wil, van slechte ~ zijn wil wild (<-> tam) wild wildernis wilg (Salix) willekeurig willen willens nillens wilsbeschikking wilskracht wimper wind (luchtverplaatsing; bv. de ~ waait) wind (scheet) windhoos winkel winkelier winnaar winnen (winst maken) (op iets) winnen (zegevieren) winst (~ op verkoop, intrest,...) winst (bv. ~ met loterij) winstgevend winter wippen wipplank wiskunde wiskundige wispelturig wisselen wisselgeld wisselkantoor wisselstroom wisselvallig wit witloof woede woedend (zeer kwaad) woensdag woest (verlaten, desolaat) woest (zeer kwaad) woestijn wok wol wolf wolk wonde (wond) wonder wonderlijk wonen woning woonkamer woonplaats woord woordenboek (eentalig ~) woordenboek (vertaal~) worden (hulpww.passief; bv. Hij wordt gestraft.) worden (passief; bv. Kaas wordt gemaakt van melk) worden (voortkomen uit,...) worm (aard~) worm (zogenaamde ~, made, bv. in appel) worst worstelen wortel (algemeen: ~ van een plant) wortel (groente) wortelpeterselie (petroselinum hortense) woud wraak, ~ nemen wraak wraakzuchtig wrak wrang wrat wreed (wreedaardig) wreed (bv. ~ schoon) wreken (iemand ~) wreken, zich ~ wrevel wrijven wrijven, onder de neus ~ wrijving (wrijvingskracht) wrok (bv. ~ koesteren) wuiven (zwaaien) wurgen xylofoon yoga yoghurt yoghurt, drink~ zaad (van plant) zaad (van zoogdier) zaadbal zaadje zaadlozing zaag zaaien zaak (ding) zaak (handels~) zaak (rechts~) zaakvoerder zaal zaal (grote ~) zacht (~ aanvoelend; bv. ~e handen) zacht (~ van karakter) zacht (<-> hard; mals; bv. een ~ kussen, ~e biefstuk) zachtaardig (goedaardig) zachtgekookt zadel zagen (bv. planken ~) zagen (mopperen, tegenstribbelen) zagen (zaniken; bv. ~ voor een snoepje) zagen (zaniken; vervelend spreken) zak (bv. broek~) zak (bv. juten patatten~) zak (bv. plastieken ~) zak (reiszak) zakdoek zakelijk zaken (het zakendoen) zaken doen zakenman zakgeld zakken (niet slagen) zakken (van hoog naar laag gaan) zakken, ~ in/door zaklamp zakmes zalf zalig zaliger (bv. mijn moeder ~) zalm zand zandloper zandsteen zanger zangeres zangvogel zaniken (bv. ~ voor een snoepje) zaniken (vervelend spreken) zat zaterdag zatlap ze zebra zebrapad (oversteekplaats) zedelijk (moreel) zee zeeëgel zeef zeehond zeeleeuw zeemacht zeeman (matroos) zeemeermin zeep zeepbel zeer (bv. een ~e teen) zeer (heel) zeer zeerover zeespiegel, hoogte boven de ~ zege (overwinning) zegel zegen zegenen zegevieren zeggen zeiken zeil zeilboot zeilen zeis zeker zeker (zonder twijfel) zekerheid zekering (automatische ~) zekering (gewone ~) zelden zeldzaam zelf (in eigen persoon) zelfbedieningszaak zelfbestuur zelfbevrediging zelfbewust zelfmoord (bv. ~ plegen) zelfs zelfstandig zelfstandig, ~ zijn zelfvertrouwen zelfzuchtig zemelen zenden (sturen) zender (<-> ontvanger) zenuw zenuwachtig (~ van aard) zenuwachtig (~ voor iets specifieks) zerk zes (6) zes (een ~ op het rapport; lijn ~ van tram/bus) zesde (de ~) zestien (16) zestig (60) zet (bv. bij schaken) zetel (bv. in parlement) zetel (zacht ding om op te zitten) zetmeel zetten (bv. iets op tafel ~) zetten (bv. koffie/thee/... ~) zetten, zich ~ zeug (vrouwelijk varken) zeuren (~ om iets te krijgen) zeuren (flauw doen) zeven (7) zeven zeven (een ~ op het rapport; lijn ~ van tram/bus) zevende (de ~) zeventien (17) zeventig (70) zever (figuurlijk: gezwets) zever (letterl.: vloeistof uit mond) zich (bv. Hij wast ~/Zij wassen ~.) zicht (gezichtsvermogen) zicht (uitzicht) zichtbaar (<-> onzichtbaar) zichtbaar (duidelijk; bv. Ze is ~ beter.) zichtbaarheid zichzelf (bv. Hij ziet / Zij zien ~ in de spiegel.) ziedaar ziehier ziek ziek, ~ worden zieke ziekelijk ziekenhuis ziekenwagen ziekte ziekte, vallende ~ ziekteverlof ziekteverzekering ziel zielig zien zigeuner zigeunerin zij zijde (heup; bv. Het kind stond aan haar ~) zijde (kant) zijde (textiel) zijden zijkant zijn (~ eigen, bezittelijk en onbeklemtoond) zijn (bezittelijk en beklemtoond) zijn (alles behalve tegenwoordige tijd) zijn (tegenwoordige tijd) zilver (Ag) zilverpapier zin (~ hebben in) zin (nut) zin (reeks woorden) zin (van richting; elke riching heeft 2 zinnen) zingen zink (Zn) zinkbewerker (stielman voor dakgoten enz.) zinken (<-> drijven) zinloos zinnebeeld zintuig zirkoon zitplaats zitten zitten, gaan ~ zitting, een ~ houden zitting (sessie; bv. ~ van het parlement) zitvlak zo (op deze wijze) zo (zodanig) zoals zodat zodiak zodra zoeken zoemen zoen zoenen zoet zogen (borstvoeding geven) zogenaamd zoiets zojuist zolang (bv. ~ hij zwijgt, is het goed.) zolder zomer zon, in de ~ zitten zon zondaar zondag zonde (moreel foute actie) zonde (verspilling,...; bv. ~ dat je niet meedoet!) zonder (<-> met) zonderling zondigen zondvloed zone zonet zonnebaden zonnebloem zonnebril zonnen zonnesteek zonnestelsel zonnewijzer zonnig zonsondergang zonsopgang zoo zoogdier zool (~ van schoen) zool (~ van voet) zoom zoon zorg, ~ dragen (voor) zorg zorgeloos zorgen, ~ voor (bezig zijn met) zorgen, ~ voor (opkweken) zorgen, ervoor ~ dat zorgvuldig zorgzaam zot (dwaas) zout zoutzuur (HCl) zoveel zowel, ~ ... als ... zucht zuchten zuidelijk zuiden (<-> noorden) zuidpool zuigeling zuigen zuinig (karig) zuipen zuiver (net, proper) zuiver (puur) zuiveren (bv. water ~) zulk (bv. ~e bloemen zijn duur.) zullen (tegenwoordige tijd van ~) zullen (verleden tijd van ~; bv. Ik zou komen.) zus zuster zuster (klooster~) zuur zuurkool zuurstof (O) zwaaien (wuiven) zwaan zwaar (<-> licht) zwaard zwaarlijvig zwaarmoedig zwaarmoedigheid zwaartekracht zwaartepunt zwager (broer van mijn vrouw) zwager (echtgenoten van 2 zussen) zwager (man van mijn zus) zwak (<-> sterk) zwak, een ~ hebben voor (bv. alcohol) zwakheid zwakkeling zwaluw zwam (verzamelnaam van alles dat sporen heeft) zwanger zwangerschap zwanzen zwart zwarte zwartgallig zwavel (solfer, S) zwavelzuur Zweden zweefvliegtuig zweep zweepslag zweer (inwendige ~, bv. maag~) zweer (uitwendige ~) zweet (transpiratie) zwellen (bv. een buil krijgen) zwellen (bv. kaken van een kikker, buik,...) zwembad zwembroek zwemmen zwemmer zwemster zwemvest zwemwedstrijd zweren zwerm (~ bijen) zwerm (~ vogels) zwerven (rondlopen zonder doel) zwerver zweten zweven zwichten (toegeven) zwijgen zwijgzaam zwijm, in ~ vallen zwijn Zwitserland zwoel