Op de Plaza de la Catedral, In het hartje van Havana Vieja, danst een gezette vrouw op de muziek van een orkestje. Ze is gekleed in een kanten bruidsjurk, draagt een witte hoofdtooi en kleurige kralenkettingen rond haar hals, de zogenaamde collares, die ze bij een eerdere initiatie kreeg. De in het wit geklede vrouwen én mannen zijn novicen van de santería, zogenaamde iyabós, letterlijk bruiden. Ze hebben net hun priesterinwijding ondergaan, lopen een jaar in het wit gekleed en moeten gedurende die periode allerlei taboes respecteren. Na dat jaar worden ze formeel priester, santero, of priesteres, santera. Alleen het hogepriesterschap, de taken van de babalawo, is aan mannen voorbehouden. Deze inwijdingsceremonie is grotendeels geheim gebleven. De inwijding duurt een week, waarin de kandidaat in het gezelschap van andere babalawo’s rituele straffen ondergaat, geheime voorspellingstechnieken leert en – als hoogtepunt van de ceremonie – Orula ontvangt, de ziel van de beschermgeest van alle babalawos.
De santera’s in Havana Vieja houden, in tegenstelling tot gewone geïnitieerden, jaar na jaar hun bruidjurken aan om toeristen te lokken naar de tafeltjes waar ze de kaarten leggen. De echte magie van de Afro-Cubaanse religie bevindt zich in de volksbuurten, achter gammele deuren en in armetierige huiskamers. Het is daar waar ik, op voorspraak van mijn Cubaanse vriend Emilio, op bezoek ga bij señor Jorge, een babalawo.
Santería, letterlijk "heiligerij", is de syncretische religie van een groot deel van de Cubanen. Ze wordt soms Regla de Ocha genoemd, of ook Lukumi, een woord dat verwijst naar de Yoruba-cultuur op Cuba. De kern van de religie is Afrikaans, en reisde mee met de slaven die tussen de zeventiende en de negentiende eeuw geëxporteerd werden naar de suikerplantages van Cuba, Brazilië, Haïti, Trinidad en Puerto Rico. De Afrikaanse tradities, zoals ondermeer het systeem van inwijdingen, werden behouden, maar vermengden zich met het katholicisme van de slavenmeesters en met Europese spiritistische invloeden. Zo komt het dat de woningen van Cubaanse santero’s uitpuilen van katholieke heiligenbeelden, waarachter echter de oorspronkelijke Afrikaanse orisha’s (een pantheon van goden of beschermgeesten) schuil gaan. In Afrika was de cultus van de orisha’s een familiale aangelegenheid. Kinderen volgden de cultus van specifieke orisha’s van hun ouders. Omdat families tijdens de periode van de slavenhandel uiteengerukt werden, verdween deze familiale overerving van de orisha-cultus. In Cuba zijn het de orisha’s zelf die hun volgelingen kiezen, met de hulp van divinatie door een santero, santera of een babalawo.
Santero’s of babalawo’s worden door de gewone Cubaan geraadpleegd over allerlei zaken, gaande van gezondheidsklachten, over relationele, financiële of zelfs juridische problemen. De babalawo of santero raadpleegt dan de orisha’s via een divinatietechniek. Het zijn de orisha’s zelf die de tijdens zo’n sessie aangeven dat een cliënt gebaat is bij een inwijding. En dat is precies wat señor Jorge me voorstelde, nadat ik hem in 2004 consulteerde over de gezondheidstoestand van mijn vrouw.
Een inwijdingsproces via de babalawo verloopt anders dan via een santero of santera. De babalawo is toegewijd aan Orula (of Orunmila), de ziener onder de goden, de enige orisha die getuige was van de schepping door Oludumare en daarom de toekomst kent. De babalawo introduceert zijn pupillen dan ook in de cultus van Orula, via een ceremonie die Mano de Orula heet, de hand van Orula. Via de inwijding wordt de kandidaat lid van de ceremoniële familie, het ilé of huis van de babalawo, die zijn of haar padrino of peetvader wordt. Mijn vrouw en ik aanvaarden señor Jorge als onze padrino, en zijn vrouw, Damaris, een vurige, zwartharige santera, als onze madrina. In de lente van 2005 trekken we naar Havana om er gedurende een week bij padrino en madrina te verblijven en een reeks initiatieke ceremoniën te ondergaan. Inwijdingen introduceren kandidaten geleidelijk in de santeria. Ze hoeven niet automatisch tot het priesterschap te leiden. Onze inwijding zal drie dagen duren, een periode waarin we verschillende ceremoniën ondergaan: de Guerreros-initiaties, de Ita-ceremonie en de Mano de Orula.
Tijdens de guerreros-initiatie ontvangen we de zogenaamde "krijgers",vier orisha’s die de woning van de geïnitieerde zullen beschermen. De belangrijkste is allicht Eleggua, de boodschapper van Olodumare, de orisha van de kruispunten in het leven en de wachter aan de poorten van leven en dood. Hij wordt voorgesteld als een cementen hoofdje, waarin kaurischelpen de ogen, neus en mond aangeven. Verder zijn Oggun, de arbeider-smid, Ochosi, de jager-boogschutter, en Osun, een natuurgeest die waarschuwt bij gevaar, van de partij. De objecten die deze krijgers representeren (een ketel met metalen werktuigen, een metalen boogje, een metalen haan en het cementen hoofdje) zijn eigenlijk van geen belang. De orisha’s zelf leven in eenvoudige stenen die in de beeldjes en objecten verborgen zitten. Dit zijn immanente goden die in het hier en nu leven, geen verre transcendente god, zoals in de Abrahamitische religies.
De krijgers worden tijdens het inwijdingsproces "geladen" met aché, de levensenergie die aan de basis ligt van alles. Aché zit in al wat leeft. Dat is de reden waarom tijdens santeria-initiaties dieren worden geofferd. De goden moeten immers, net zoals andere levende wezens, eten. Ook wij drinken een deel van het offerbloed, gemengd met een rituele kruidendrank, omiero, waarin we ons voor de inwijding ook moeten baden. Padrino en de drie andere babalawo’s die tijdens de inwijding aanwezig zijn, noemen de cocktail lachend "Afrikaanse coca cola". De offerdieren zelf worden nadien klaargemaakt voor een afsluitend ritueel maal. Met het bloed van de offerdieren worden ook de collares, de kralenkettingen, "geladen" die deel uitmaken van de Manu de Orula, het ceremoniële gedeelte dat het initiatieke proces afsluit. Wij ontvangen dan de ketting en het polsbandje met de gele en groene kralen die Orula vertegenwoordigen, samen met de sopera waarin de orisha leeft. De meeste orisha’s "wonen" in huis immers in rituele soepterrines.
De tweede dag van de ceremonie wordt nagenoeg volledig besteed aan Itá, een uitgebreide divinatie, waarin de vier babalawo’s ons leven en onze toekomst uitgebreid bespreken. Ook dat doen ze weer aan de hand van een divinatiesysteem, het gezaghebbende Ifa-orakel, dat enkel door babalawo’s wordt gebruikt. Tijdens dat divinatieproces wordt ook bepaald tot welke orisha’s mijn vrouw en ik toebehoren, of liever, welke orisha ons zal beschermen. Het Ifa-orakel wijst Babaluaye, de orisha van de leprozen en de zieken aan voor mijn vrouw, en de wat duistere Olokun, god van de diepten van de oceaan, als mijn beschermer. Mijn vrouw krijgt allerlei taboes opgelegd –waaronder een verbod om schaal- en schelpdieren te eten- terwijl de orisha’s mij gunstig gezind zijn. Ik mag naar huis zonder enig taboe. “Maar,” zo waarschuwt padrino mij,” het Ifa-orakel heeft voor jou wel iets in petto. Jij moet terugkomen in de toekomst. Voor een nieuwe inwijding. Want Olokun wijst het pad naar de initiatie van de babalawo.”
Jan de Zutter (1962), schreef verschillende boeken over modern heidendom (wicca, druïdisme…) en is lector neopaganistische religies aan de Faculteit Vergelijkende Godsdienstwetenschappen in Antwerpen. In 2005 liet hij zich in Havana inwijden in de Santeria, een syncretische religie die de oude heidense religie van de Yoruba-slaven vermengde met katholieke elementen.